Logo

Wennink in de Kamer: "Vergeet autonomie, zorg voor relevantie"

Peter Wennink concrete systeemkritiek. Over chemie, kapitaal, energie, arbeidsmarkt en een overheid die innovatie nog te vaak tegenhoudt.

Published on April 10, 2026

Peter Wennink in de Tweede Kamer

Peter Wennink in de Tweede Kamer

Medeoprichter van Media52 en hoogleraar Journalistiek, bouwt aan IO+, events en Laio, met focus op commerciële kansen—en blijft schrijven voor IO+.

“Ik pas ervoor om een roepende in de woestijn te worden.” Met die waarschuwing sloot Peter Wennink dinsdagavond zijn technische briefing in de Tweede Kamer af. Het was een veelzeggende zin. Want waar zijn rapport De route naar toekomstige welvaart eind vorig jaar vooral werd gelezen als een scherpe analyse van Nederlands afkalvende verdienvermogen, draaide het in de Thorbeckezaal vooral om iets anders: wat moet er nu, heel concreet, gebeuren?

Wennink hield zijn inleiding kort. De urgentie is bekend, zei hij. Wat ontbreekt, zijn de randvoorwaarden om de innovaties die Nederland al in huis heeft ook echt tot wasdom te laten komen. Die randvoorwaarden noemde hij opnieuw: infrastructuur, talent, regelgeving en kapitaal. Niet als abstract rijtje, maar als een samenhangend systeem dat nu kraakt op precies die plekken waar de toekomst moet worden gebouwd.

De oud-ASML-topman verwees daarbij nadrukkelijk naar de brede basis onder zijn rapport. Het draagt dan wel zijn naam, zei hij, maar het is een co-creatie van tientallen consortia, kennisinstellingen, bedrijven en overheden. “Die kennis en kunde is er,” benadrukte hij. “Alleen zijn een aantal belangrijke randvoorwaarden niet ingevuld.”

Wat volgde was geen herhaling van de rapportpresentatie, maar een politieke stresstest van de hoofdboodschap. Kamerleden bevroegen hem op defensie, brede welvaart, chemie, energieprijzen, arbeidsmarkt en Europese kapitaalvorming. In zijn antwoorden werd duidelijk dat Wennink zijn analyse inmiddels verder heeft aangescherpt.

Wederzijdse afhankelijkheden

Misschien wel de belangrijkste verschuiving zat in zijn taal. Waar in Den Haag en Brussel vaak wordt gesproken over “strategische autonomie”, kiest Wennink bewust voor een ander begrip: strategische relevantie.

Peter Wennink in de Tweede Kamer

Peter Wennink in de Tweede Kamer

Autonomie, zei hij, suggereert dat Europa of Nederland alles zelf moet kunnen. Dat is volgens hem niet realistisch en ook niet wenselijk. De toekomst zit volgens hem juist in wederzijdse afhankelijkheden, mits Nederland daarin iets onmisbaars te bieden heeft. “Ik ben een groot voorstander van afhankelijkheden, maar van wederzijdse afhankelijkheden.”

Daarmee sloot hij aan bij een les uit zijn ASML-jaren. Strategische macht ontstaat niet doordat je alles zelf doet, maar doordat anderen jou nodig hebben. Voor Nederland ziet hij die rol vooral in complexe systemen: radar, communicatie, drones, halfgeleiders, fotonica en systeemintegratie. Dus niet overal een beetje, maar gericht investeren in die domeinen waar Nederland echt verschil kan maken.

Die gedachte trok hij ook door naar defensie. Investeer geen geld in activiteiten die elders beter kunnen, zei hij, maar concentreer middelen op technologieën waarin Nederland en Europa elkaar kunnen versterken. Dat vraagt niet alleen visie, maar ook internationale afstemming. Of in Wenninks woorden: zorg dat andere landen niet hetzelfde gaan doen, maar dat je afspraken maakt “over wie wat doet”.

Opvallend was ook hoe scherp hij de relatie legde tussen economische groei en brede welvaart. Een van de terugkerende kritieken op zijn rapport is dat het te veel in bbp-termen denkt. In de Kamer kreeg hij de gelegenheid om dat beeld te nuanceren.

Brede welvaart, aldus Wennink, gaat voor hem over een samenleving waarin mensen werk hebben, kinderen goed onderwijs krijgen, zorg toegankelijk blijft en veiligheid gegarandeerd is. Vrijheid van meningsuiting vormt daar het dak boven. Maar al die pijlers kosten geld. En precies daar, betoogde hij opnieuw, zit de kern van zijn rapport: zonder sterker verdienvermogen komen die maatschappelijke fundamenten onder druk te staan.

Daarmee herhaalde hij niet simpelweg dat “de taart groter moet”, maar legde hij de onderliggende redenering explicieter uit dan voorheen. Groei is voor hem geen doel op zich, maar de financiële voorwaarde om een fatsoenlijke samenleving overeind te houden.

Chemie

Interessant was verder dat hij een sector naar voren schoof die in het publieke debat vaak eerder als probleem dan als oplossing wordt gezien: de chemie. Op vragen uit de Kamer verdedigde hij de chemische industrie niet als nostalgische restcategorie, maar als onderdeel van de Nederlandse kennisinfrastructuur. “96% van alles wat u dagelijks aanraakt is chemie,” zei hij.

Daarmee raakte hij een gevoelig punt. Want in veel discussies over vergroening en industriebeleid lijkt chemie vooral een sector van gisteren. Wennink draaide dat om. Zonder basischemie en specialty chemicals, betoogde hij, verzwakt ook innovatie in energie, defensie, materialen, recycling en zelfs fotonica. Chemie is in zijn verhaal geen losstaande industrie, maar een dragende laag onder vrijwel alle transities.

Dat brengt hem automatisch bij het energieprobleem. Hoge energieprijzen zetten de industrie onder druk, maar volgens Wennink is dat nog geen reden om Nederland af te schrijven. Wel moet de politiek stoppen met losse deeloplossingen. Zijn pleidooi was nadrukkelijk systemisch: opwekking, opslag, distributie en eindgebruik moeten als één geheel worden benaderd. Alleen wind, alleen zon of alleen kernenergie is volgens hem niet genoeg.

Regels

In die context noemde hij opnieuw kleine modulaire reactoren, opslagtechnologie en hernieuwbare energie. Maar de kern van zijn betoog was breder: Nederland heeft te lang gewacht en wordt nu “met de neus op de feiten gedrukt”. Die druk kan ook productief worden, zei hij, met een variant op een oude ASML-les: “Onder de juiste druk wordt alles vloeibaar.”

Misschien het meest politiek geladen deel van de briefing ging over regels. Daar werd Wennink concreet. Heel concreet zelfs. Hij noemde de Nederlandse neiging tot goldplating (extra nationale koppen op Europese regels) een doorn in het oog. Nog scherper was hij over staatssteunregels die jonge bedrijven in de praktijk blokkeren.

Zijn voorbeeld was veelzeggend: startups worden bij subsidieaanvragen vaak behandeld als “ondernemingen in moeilijkheden”, waardoor steun niet mag. “Elke startup is een onderneming in moeilijkheden,” zei hij droog. “Trust me, daar klotst het geld niet tegen de plinten.” Volgens hem leidt dat ertoe dat goede innovaties wel worden geselecteerd, maar vervolgens vastlopen in juridische interpretaties en uitvoeringsregels.

Ook de arbeidsmarkt kwam in datzelfde licht terug: niet als sociaal dossier alleen, maar als innovatievoorwaarde. Wennink waarschuwde dat AI en automatisering de komende vijf tot tien jaar grote verschuivingen op de arbeidsmarkt zullen veroorzaken. Bureaubanen verdwijnen, andere banen komen ervoor terug; in zorg, veiligheid, industrie en digitalisering. Dat vraagt om grootschalige reskilling, waarbij bedrijven volgens hem voorop moeten lopen, met ondersteuning van overheid en sociale partners.

Triple Helix

Aan het slot kwam Brainport nog expliciet langs als voorbeeld van wat er mogelijk is als vertrouwen, urgentie en samenwerking samenkomen. De triple helix is volgens hem geen bestuursmodel op papier, maar een praktijk van wederkerigheid. In Zuidoost-Brabant werkte die samenwerking omdat iedereen voelde dat het alternatief achteruitgang was.

Dat is misschien wel de echte boodschap van deze briefing. Het rapport van Wennink was een wake-upcall. Maar in de Tweede Kamer klonk vooral iets anders door: Nederland heeft geen gebrek aan plannen, kennis of geld. Het heeft een gebrek aan gezamenlijke uitvoeringskracht, aan durf en aan bestuurlijke flexibiliteit.

Of, om Wennink nog één keer zelf te citeren: de innovaties liggen er. “We moeten alleen de randvoorwaarden creëren.” Daarna is het aan politiek, markt en maatschappij om te bewijzen dat dit rapport inderdaad niet in de la verdwijnt.