Logo

Vrije markt is geopolitiek geworden, Europa staat op achterstand

In het rapport Strategisch handelen: Beleid voor een geopolitieke economie zet de WRR de nieuwe werkelijkheid scherp neer.

Published on August 28, 2026

WRR rapport: Europa klem tussen de wereldmachten

Medeoprichter van Media52 en hoogleraar Journalistiek, bouwt aan IO+, events en Laio, met focus op commerciële kansen—en blijft schrijven voor IO+.

De WRR waarschuwt dat innovatiebeleid alleen Europa niet uit zijn kwetsbare positie helpt. Zonder een antwoord op oneerlijke handel, versnipperde investeringen en buitenlandse techafhankelijkheid dreigen miljarden aan industriebeleid weinig op te leveren.

Economische afhankelijkheid was lange tijd het fundament onder de Europese welvaart. Landen die intensief met elkaar handelen, zo was de gedachte, hebben weinig belang bij conflicten. Maar die redenering gaat volgens de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) niet langer op. Handel, technologie en investeringen zijn zelf machtsmiddelen geworden.

Watt Matters in AI 2026

In het rapport Strategisch handelen: Beleid voor een geopolitieke economie zet de WRR die nieuwe werkelijkheid scherp neer. Europa is voor cruciale technologie, energie en grondstoffen sterk afhankelijk van de Verenigde Staten en China. Omgekeerd geldt dat veel minder. Daarmee dreigt Europa volgens de Raad “een speelbal” te worden in de geopolitieke strijd tussen beide grootmachten.

Nederland merkt dat al. Exportbeperkingen voor de chipmachines van ASML, de politieke strijd rond chipfabrikant Nexperia en zorgen over Amerikaanse toegang tot Europese clouddata laten zien dat technologiebeleid niet langer losstaat van buitenlandse politiek. De vraag is niet alleen meer wie het beste product maakt, maar ook wie de toegang ertoe kan controleren.

De innovatierace is meer dan concurrentie tussen bedrijven

De technologische wedloop wordt vaak voorgesteld als een strijd tussen ondernemingen. In werkelijkheid concurreren complete innovatiesystemen met elkaar. De Verenigde Staten en China combineren publieke investeringen, langetermijndoelen, infrastructuur, afzetmarkten en strategische omgang met buitenlandse bedrijven.

Europa beschikt over uitstekend onderzoek en enkele onmisbare spelers. ASML is daarvan het bekendste voorbeeld. Het bedrijf vormt een zogenoemd choke point: een nauwelijks vervangbare schakel in de mondiale chipketen. Maar zulke sterke posities verhullen een structureel Europees probleem. Nieuwe technologie bereikt hier veel moeilijker de markt en wordt minder vaak op grote schaal toegepast.

“Europa loopt achter waar het gaat om het toepassen en opschalen van technologische innovaties”, concludeert de WRR. Dat is een herkenbare diagnose. Europese startups ontwikkelen volop nieuwe batterijtechnologie, quantumtoepassingen, AI-systemen en duurzame productiemethoden, maar zoeken voor hun groei vaak Amerikaans kapitaal of verplaatsen activiteiten naar markten waar financiering en klanten sneller beschikbaar zijn.

De WRR pleit daarom voor een samenhangend innovatiesysteem, van fundamenteel onderzoek tot marktintroductie. Daarin moet de overheid richting geven, zonder bestaande bedrijven simpelweg tegen concurrentie te beschermen. De raad noemt een model van “regie en competitie”: ambitieuze doelen stellen, meerdere bedrijven laten concurreren en alleen succesvolle projecten doorfinancieren.

Dat vergt ook voorspelbaar beleid. Innovatieprojecten lopen vaak tien of twintig jaar, terwijl politieke prioriteiten om de paar jaar veranderen. Europese en Nederlandse fondsen zijn bovendien geregeld breed geformuleerd. De overheid vraagt om vernieuwende voorstellen, maar spreekt zich beperkt uit over welke technologische capaciteiten Europa over tien jaar daadwerkelijk in huis wil hebben.

Innovatiegeld alleen is niet genoeg

Het meest prikkelende deel van het rapport is de waarschuwing dat industriebeleid op zichzelf onvoldoende is. Europa kan miljarden investeren in eigen fabrieken en technologie, maar als buitenlandse concurrenten door omvangrijke subsidies, lage lonen of valutabeleid structureel goedkoper produceren, blijft de Europese industrie kwetsbaar.

Volgens de door de WRR aangehaalde cijfers ontvangen Chinese bedrijven drie tot acht keer zoveel overheidssteun als ondernemingen in OESO-landen. Chinese producten zouden daardoor in sommige markten meer dan 30 procent goedkoper zijn dan vergelijkbare Europese producten. Het Chinese exportoverschot is dus niet uitsluitend het resultaat van hogere productiviteit of betere innovatie.

Industriebeleid zonder handelsbeleid kan daardoor bijzonder kostbaar worden. Europese overheden subsidiëren dan de ontwikkeling en productie, terwijl de markt vervolgens wordt overspoeld met goedkopere import. De WRR vat zijn centrale boodschap daarom samen als een dubbele opdracht: pak zowel de scheefgetrokken handel als de technologische achterstand aan.

Dat kan hogere prijzen, tegenmaatregelen en handelsconflicten opleveren. Maar niets doen heeft ook een prijs. Productiecapaciteit die eenmaal is verdwenen, is bij kapitaal- en kennisintensieve technologie moeilijk terug te winnen. Bovendien kan afhankelijkheid op een kritiek moment worden gebruikt om politieke concessies af te dwingen.

De overheid als eerste klant

Een van de meest concrete aanbevelingen betreft de inkoopmacht van overheden. Publieke aanbestedingen vertegenwoordigen ongeveer 14 procent van het Europese bruto binnenlands product. Door die vraag te bundelen, kunnen overheden een markt voor Europese technologie creëren.

Cloudvoorzieningen zijn daarvan een duidelijk voorbeeld. Gemeenten, provincies, nationale overheden en Europese instellingen kopen nu afzonderlijk digitale diensten in. Die versnippering bevoordeelt grote Amerikaanse aanbieders. Gezamenlijke aanbestedingen zouden Europese alternatieven voldoende schaal kunnen geven.

Nederland kan volgens de WRR ook het initiatief nemen voor Europese samenwerking rond een DARPA-achtig innovatieagentschap, strategische technologieketens en energie-infrastructuur. Als overeenstemming met alle lidstaten niet mogelijk is, kunnen kleinere groepen koplopers beginnen.

Daarmee legt het rapport ook een ongemakkelijke politieke keuze bloot. Europese landen willen hun nationale bevoegdheden behouden, terwijl de EU te weinig budget en macht heeft voor volwaardig industriebeleid. Het resultaat is een patstelling. Vasthouden aan nationale autonomie kan er paradoxaal genoeg toe leiden dat Europa gezamenlijk meer autonomie verliest aan China en de Verenigde Staten.

De WRR kiest niet voor economisch isolationisme en presenteert ook geen eenvoudig stappenplan. De boodschap is fundamenteler: de wereld waarop het Nederlandse handels- en innovatiebeleid was gebaseerd, bestaat niet meer. Wie vrijhandel, mededinging en overheidsingrijpen blijft bekijken door de bril van de afgelopen decennia, reageert op een werkelijkheid die al verdwenen is.

Bron: Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2026), Strategisch handelen: Beleid voor een geopolitieke economie, WRR-rapport 115, Den Haag.