TNO-topman De Jong: stop met het beleidsmatige botermes
"Koppel toponderzoek sneller aan commercieel lef, en we bouwen hier de techkampioenen van morgen."
Published on October 29, 2026
Arnaud de Jong, TNO © TNO
Medeoprichter van Media52 en hoogleraar Journalistiek, bouwt aan IO+, events en Laio, met focus op commerciële kansen—en blijft schrijven voor IO+.
"Nederland heeft het onderzoekstalent, maar bouwt te weinig mondiale hightechbedrijven. Op de NXTGEN Conference pleit Arnaud de Jong voor grotere programma’s, regie door experts en een overheid die als eerste klant durft op te treden.
Een technologie die in het laboratorium werkt, is nog geen product. En een product is nog geen bedrijf dat de wereldmarkt verovert. Juist tussen die stappen laat Nederland kansen liggen, stelt Arnaud de Jong, managing director TNO High Tech Industry. Zijn boodschap op de NXTGEN Conference in de Haagse Fokker Terminal: wie economische zelfstandigheid wil behouden, moet veel gerichter investeren in het bouwen en opschalen van een nieuwe generatie hightechbedrijven.
Onder de titel ‘Invent. Build. Scale.’ verbindt De Jong die opdracht aan een ongemakkelijke diagnose. Nederland schrijft ambitieuze technologiestrategieën, maar organiseert onvoldoende geld, snelheid en commerciële slagkracht om ze uit te voeren. “Een strategie zonder geld is geen industriebeleid; het is een verklaring van goede bedoelingen.”
Achter ASML is de basis te smal
De urgentie is volgens De Jong zowel economisch als geopolitiek. Europa moet zijn defensie versterken en tegelijk zijn toekomstige verdienvermogen veiligstellen. Voor zorg, onderwijs en sociale voorzieningen is blijvende productiviteitsgroei nodig. Hightech speelt in zijn visie een centrale rol bij het realiseren daarvan.
Toch blijft de Nederlandse ambitie om 3 procent van het bruto binnenlands product aan onderzoek en ontwikkeling te besteden buiten bereik. De Jong schetst een land dat al decennia rond de 2 procent blijft hangen. Volgens de in zijn keynote aangehaalde TNO-analyse is het jaarlijkse verschil met de 3-procentambitie meer dan 11 miljard euro.
Achter het succes van de Nederlandse hightech gaat een kwetsbaarheid schuil. ASML is volgens de gepresenteerde cijfers goed voor ongeveer 40 procent van de R&D-uitgaven van de Nederlandse top 50 van bedrijfsinvesteerders in onderzoek. Het illustreert voor De Jong hoe sterk de onderzoeksbasis op één onderneming leunt. Buiten het ASML-ecosysteem noemt hij het industriële R&D-landschap dun en versnipperd.
Meer publieke investeringen kunnen volgens hem meer private middelen losmaken. Hij verwijst naar TNO-onderzoek waarin iedere publieke R&D-euro tot 90 cent aan private investeringen mobiliseert. Zijn waarschuwing: als de overheid terugtreedt, nemen bedrijven de ontbrekende investeringen niet vanzelf over.
Arnaud de Jong, TNO, © TNO
Een strategie heeft ook financiering nodig
De Nationale Technologiestrategie uit 2024 was voor De Jong een belangrijke stap. Met tien prioritaire sleuteltechnologieën maakte Nederland eindelijk expliciete keuzes. Nu moet het die keuzes ook vasthouden.
Daar wringt het volgens hem. De strategie mag geen kapstok worden waaraan iedere belanghebbende een eigen project hangt. Evenmin helpt het om schaarse middelen met een ‘beleidsmatig botermes’ over zoveel mogelijk partijen uit te smeren. Dan verdwijnt de focus die nodig is om internationaal verschil te maken.
Bovendien heeft de Nationale Technologiestrategie volgens De Jong vrijwel geen eigen, structureel publiek budget. Daarmee dreigt de bekende innovatieparadox zich te herhalen: Nederland levert sterk onderzoek, maar weet die kennis onvoldoende om te zetten in commerciële bedrijvigheid.
Kwantumtechnologie dient als voorbeeld. In de cijfers die hij presenteert, heeft Nederland een aandeel van 2,4 procent in de wereldwijde wetenschappelijke kwantumpublicaties en 2 procent in de internationale patenten. Bij durfkapitaalinvesteringen daalt dat aandeel naar ongeveer 1 procent. Nederlandse kwantum-unicorns ontbreken in het aangehaalde overzicht. De boodschap achter die reeks: een sterke kennispositie levert niet automatisch een even sterke marktpositie op.
Van laboratorium naar eerste productielijn
Het knelpunt ligt volgens De Jong vooral waar technologie het laboratorium verlaat. Een veelbelovend onderzoeksresultaat moet dan worden vertaald naar een pilotlijn, gevalideerd in een cleanroom of geschikt gemaakt voor de eerste productie. Daarvoor zijn grote investeringen nodig, terwijl het commerciële risico nog aanzienlijk is.
Deze fase, grofweg de technologische ontwikkelniveaus TRL 4 tot en met 6, staat bekend als de ‘Valley of Death’. Het Nationaal Groeifonds financiert nog activiteiten in dit gebied, maar biedt volgens De Jong geen blijvende financiering. Voor structurele publiek-private samenwerking wijst hij op het PPS-I-instrument, met een budget van 180 miljoen euro, zij het in een dalende trend.
Zijn voorstel is om dat geld te bundelen in slechts een handvol grote programma’s . Daarmee kunnen partijen gezamenlijk werken aan de infrastructuur en ontwikkeling die nodig zijn voor opschaling. De doorslaggevende vraag wordt dan welke industriële ontwikkeling Nederland wil realiseren en wat daarvoor nodig is.
NXTGEN als model voor landelijk beleid
De Jong ziet in NXTGEN Hightech een voorbeeld van die aanpak. Dit Groeifonds-programma bundelt bijna een miljard euro rond zes strategische toepassingsdomeinen, 53 projecten en 330 projectpartners. Bedrijven worden er verbonden met kennis en technologie op onder meer het gebied van optica, robotica en systeemtechniek.
Voor hem draait het onderscheid om twee principes: inhoudelijke regie en afrekenbaarheid. Domeinexperts, ondernemers en industriële leiders moeten programma’s sturen vanuit hun kennis van technologie, toeleveringsketens en markten. Financiering moet vervolgens gekoppeld zijn aan duidelijke mijlpalen en snelle beslissingen over voortzetting of beëindiging.
“Wie niet levert, valt af”, zegt De Jong over die werkwijze. Snelheid is daarbij essentieel. Een bedrijf kan over uitstekende technologie beschikken en toch vastlopen doordat besluiten en vervolginvesteringen te lang op zich laten wachten.
Investeerders vragen volgens De Jong om georganiseerde consortia, voldoende schaal en een duidelijk traject naar de markt. Daarop baseert hij zijn optimisme: privaat kapitaal is volgens hem beschikbaar, mits Nederland investeerbare samenwerkingsverbanden weet te organiseren.
De overheid als eerste klant
Er is meer mogelijk. Naast grotere programma’s en expertregie bepleit De Jong een actievere overheid als afnemer. Publieke opdrachtgevers kunnen Nederlandse innovaties helpen valideren en opschalen door als eerste klant op te treden. Hij noemt defensie, de energietransitie en digitale infrastructuur als terreinen waar publieke behoeften en technologische kansen samenkomen.
Een eerste opdracht geeft een bedrijf de mogelijkheid zijn technologie in de praktijk te bewijzen. Daarmee ontstaat ook een referentie voor volgende klanten en investeerders. Zo kan publieke inkoop de stap naar commerciële groei helpen verkleinen.
De Jong vraagt daarmee om een innovatiebeleid dat de hele weg van onderzoek naar wereldmarkt ondersteunt. Nederland heeft de ingenieurs en de kennis. De opdracht is om daar industriële slagkracht aan te verbinden. “Koppel toponderzoek sneller aan commercieel lef, en we bouwen hier de techkampioenen van morgen."
