Logo

De 3D-printer staat er al. Nu moet de organisatie leren kijken

Additive Center wil met Amify een stap verder zetten dan alleen de industriële toepassingen van 3D-printen: dieper de organisatie in.

Published on July 4, 2026

Additive Center

Medeoprichter van Media52 en hoogleraar Journalistiek, bouwt aan IO+, events en Laio, met focus op commerciële kansen—en blijft schrijven voor IO+.

Amify, onderdeel van de Additive Center Group op de Brainport Industries Campus, helpt bedrijven om 3D-printen uit de hoek van een kleine expertgroep te halen. De grootste rem op additive manufacturing zit namelijk meestal niet in de techniek, maar in kennis, cultuur en de manier waarop organisaties besluiten nemen.

Een industriële 3D-printer aanschaffen is voor veel bedrijven allang geen exotische stap meer. Er zijn engineers die ermee kunnen werken, er is misschien een competence team, en ergens in de organisatie zijn vaak ook al een paar overtuigende toepassingen ontwikkeld. Toch blijft de echte impact dikwijls beperkt. De printer draait, de expertise bestaat, maar de rest van het bedrijf ziet de kansen niet of weet niet wanneer additive manufacturing werkelijk waarde toevoegt.

Watt Matters in AI 2026

Wat doet Additive Center?

Precies daarop richt Amify zich. Het nieuwe merk is voortgekomen uit de praktijk van Additive Center, dat vanaf de Brainport Industries Campus (BIC) bedrijven begeleidt bij industriële toepassingen van 3D-printen: van eerste verkenning en ontwerp tot productie en businesscases. Amify is ooit opgericht met de gedachte om, onder het motto ‘By the industry. For the industry’ expertise onderling te delen. BIC is daarvoor de ideale omgeving. Amify voegt daar nu een organisatorische laag aan toe: hoe maak je van een handvol experts een organisatie die op grote schaal kansen herkent, beoordeelt en benut?

“De bottleneck is bijna nooit dat een bedrijf een nieuwe printer nodig heeft,” zegt Joran van Aart, founder en CEO van Amify. “Vaak is die technologie er al. De vraag is: weten mensen wanneer ze die moeten toepassen en kunnen ze daar ook een goede businesscase van maken?”

Dat lijkt een nuance, maar volgens Van Aart is het verschil cruciaal. Een bedrijf kan beschikken over uitstekende additive-manufacturingkennis, maar wanneer die kennis blijft hangen bij enkele specialisten, blijft ook de opbrengst beperkt. Zeker in grote organisaties, met duizenden ontwerpers, inkopers, onderhoudsmedewerkers en productieteams, moeten veel meer mensen leren herkennen wanneer 3D-printen een logisch alternatief is.

Niet de printer, maar de toepassing

Bij Additive Center en Amify gaat het daarom minder over de vraag welke printer iemand moet kopen en veel meer over de vraag welke problemen een organisatie probeert op te lossen. Additive manufacturing is geen doel op zichzelf, benadrukt Van Aart. Het is een middel om prestaties te verbeteren, kosten te verlagen, leverproblemen op te lossen of de productie slimmer in te richten.

Daarbij onderscheidt hij grofweg drie soorten toepassingen.

De eerste is design for additive manufacturing: onderdelen opnieuw ontwerpen vanuit de mogelijkheden van 3D-printen. Denk aan het samenvoegen van meerdere componenten tot één onderdeel, lichtere constructies of vormen die met traditionele productietechnieken nauwelijks of niet maakbaar zijn. Dit vraagt het meeste ontwerpwerk, maar kan ook de grootste opbrengst opleveren: betere prestaties, minder materiaal, minder assemblage of een totaal andere functionaliteit.

Een tweede categorie draait om spare parts en obsolescence. Bij organisaties met lang meegaande assets, zoals treinen, industriële installaties of productieapparatuur, zijn onderdelen soms na tientallen jaren niet meer verkrijgbaar. Een geprint onderdeel is dan op papier wellicht duurder dan een gefreesd of gegoten origineel, maar die vergelijking is te beperkt. Wanneer een trein, productielijn of installatie dagen of weken dreigt stil te staan, verandert de rekensom direct. De echte waarde zit dan in kortere levertijden en het voorkomen van stilstand.

De derde toepassing zit in tooling. Niet het eindproduct wordt geprint, maar hulpmiddelen op de werkvloer: een mal, een uitlijnhulp, een positioneerarm of een speciaal hulpmiddel voor een monteur. “Wanneer iemand in een productiehal iedere dag een half uur kwijt is aan het precies uitlijnen van een onderdeel, kan een eenvoudig geprint hulpmiddel veel tijd besparen,” aldus Van Aart. “Dan gaat het niet over de kostprijs van dat ene stukje kunststof of metaal, maar over productie-efficiency.”

Joran van aart, Amify

Joran van Aart, Amify

Training is nodig, maar niet voldoende

Bedrijven beginnen volgens Van Aart vaak met een training. Dat is logisch, maar zelden genoeg. “Mensen komen enthousiast terug van een cursus. Een week later zitten ze weer in hun gewone werk. Drie maanden later is veel van dat enthousiasme verdwenen.” Kennis is daarom een noodzakelijke basis, maar zonder vervolg in processen, besluitvorming en samenwerking verandert er weinig.

Amify behandelt additive manufacturing daarom als een veranderproces. Engineers moeten andere ontwerpmogelijkheden leren herkennen. Inkopers moeten weten wanneer conventionele sourcing niet langer de beste keuze is. Onderhoudsteams moeten kunnen signaleren dat een defect onderdeel misschien lokaal of sneller kan worden geproduceerd. Managers moeten begrijpen welke businessimpact er achter een toepassing schuilgaat.

Dat vraagt om samenwerking tussen disciplines die normaal niet vanzelf rond dezelfde tafel zitten: ontwerp, productie, onderhoud, inkoop, kwaliteitsmanagement en management. Voor een innovatieve toepassing zijn andere mensen nodig dan voor een spare-partvraagstuk, maar in alle gevallen geldt dat de expertise pas waarde krijgt wanneer zij op het juiste moment in het proces wordt ingezet.

Van eerste succes naar wereldwijde schaal

Amify werkt met twee typen organisaties. De eerste groep ziet de potentie van 3D-printen, maar heeft nog weinig overtuigende voorbeelden uit de eigen praktijk. Voor die bedrijven ontwikkelde het team een Additive Boost-programma: een traject waarin engineers met concrete onderdelen aan de slag gaan, van het herkennen van kansen tot ontwerp, validatie, productie en gebruik. “Daarbij richten we ons altijd op business impact voor klanten, met 3 doelen: het reduceren van kosten, het verbeteren van performance
en het verhogen van de uptime en beschikbaarheid van service parts. Daardoor behalen we een goede ROI en verdient de klant de investering in het Boost-programma direct terug.”

De aanpak is nadrukkelijk praktisch. Van Aart: “Ongeveer dertig procent bestaat uit theorie, de rest uit doen. Deelnemers lopen samen door de productiehal, de voorraadruimte of naar een machine op de werkvloer. Daar zoeken ze naar onderdelen en processen waar additive manufacturing aantoonbaar een verschil kan maken. Het doel is niet een inspirerende presentatie, maar een reeks fysieke onderdelen met een onderbouwde businesscase.” Amify positioneert het programma als een achtweeks praktijkgericht traject voor multidisciplinaire teams.

De tweede groep klanten is al verder. Daar bestaan competence teams, industriële printers en bewezen toepassingen. Van Aart noemt bijvoorbeeld manifolds als een terugkerende kansrijke categorie binnen de semicon; in de energiesector kunnen impellers voor industriële installaties een vergelijkbare rol spelen. Het probleem is daar niet meer: kunnen we één goed onderdeel maken? De vraag is: hoe maken we van tien succesvolle toepassingen er duizend of tienduizend? “Dan komt change management echt om de hoek kijken,” zegt Van Aart. “Je wilt dat kennis niet bij een paar mensen blijft, maar organisatiebreed beschikbaar wordt.”

De geprinte toepassing als interne campagne

Daarom lanceert Amify nu ook de Showcase Library. Dat is een digitale omgeving waarin bedrijven hun beste toepassingen kunnen vastleggen en delen: wat is er gemaakt, waarom is die keuze gemaakt, welke ontwerpbeslissingen zaten erachter, wat was de businessimpact en wat hebben teams ervan geleerd?

Die bibliotheek kan openbaar worden gebruikt, maar ook in een afgeschermde omgeving voor vertrouwelijke toepassingen. “Dat is relevant voor bedrijven waar ontwerpen, productiegegevens en klantinformatie niet zomaar gedeeld kunnen worden. Voor grote internationale organisaties biedt zo’n digitale omgeving bovendien een alternatief voor eindeloos reizen en telkens dezelfde fysieke trainingen geven.”

Van Aart noemt dat onderdeel van interne marketing. “Geprinte onderdelen meenemen en laten zien aan collega’s werkt enorm goed. Mensen zien dan: dit is geen abstracte technologie, dit gebeurt al in ons eigen bedrijf.” Wie een tastbaar onderdeel in handen heeft, begrijpt vaak sneller wat een PowerPoint nooit volledig kan overbrengen.

Zo draait het werk van Amify uiteindelijk niet om één printer, één materiaal of één spectaculaire toepassing. Het gaat om een organisatie die leert te kijken: naar een kapot onderdeel, een traag productieproces of een ingewikkeld ontwerp. En die op tijd de vraag stelt: zou dit anders kunnen?

De technische mogelijkheden van additive manufacturing zijn er al. De volgende stap is dat veel meer mensen ze leren herkennen.