Logo

Sociale media niet de enige factor rond geloof in misinformatie

Rathenau instituut onderzocht de relatie tussen vertrouwen in wetenschap en geloof in misinformatie op sociale media in Nederland.

Published on June 19, 2026

social-media-6557345_1280.jpg

Medeoprichter van Media52 en hoogleraar Journalistiek, bouwt aan IO+, events en Laio, met focus op commerciële kansen—en blijft schrijven voor IO+.

Nieuw onderzoek van het Rathenau Instituut nuanceert het debat over wetenschap, vertrouwen en sociale media: wie misinformatie wil bestrijden, moet verder kijken dan platforms en factchecks.

Wie zich zorgen maakt over misinformatie, wijst al snel naar sociale media. Daar circuleren filmpjes, posts en berichten over vaccins, klimaatverandering, kweekvlees of anticonceptie die de wetenschappelijke consensus ter discussie stellen. De gedachte is vaak: hoe meer mensen op sociale media zitten, hoe groter de kans dat hun vertrouwen in de wetenschap wordt ondermijnd.

Watt Matters in AI 2026

Maar zo eenvoudig ligt het niet, zo blijkt uit het nieuwe Rathenau-rapport Wikken en weten. Het instituut onderzocht de relatie tussen vertrouwen in de wetenschap en geloof in wetenschappelijke misinformatie op sociale media in Nederland. De centrale conclusie: sociale media doen ertoe, maar ze zijn niet de enige, of zelfs doorslaggevende, factor. Misinformatie landt pas echt wanneer er een voedingsbodem voor bestaat — gevormd door persoonlijke ervaringen, gesprekken met vrienden en familie, vertrouwen in instituties, mediagebruik en eerdere opvattingen over wetenschap.

Het onderzoek combineert een representatieve vragenlijst onder 8.437 Nederlanders met zeven focusgroepen waarin deelnemers socialemediaberichten met wetenschappelijke claims kregen voorgelegd. Daarmee biedt het Rathenau Instituut een zeldzaam Nederlands perspectief op een debat dat vaak wordt gevoerd op basis van Amerikaans onderzoek.

Meer sociale media, meer geloof in misinformatie, maar niet bij iedereen

Een van de opvallendste bevindingen is dat er wél een verband bestaat tussen tijd op sociale media en geloof in wetenschappelijke misinformatie. Wie minder dan een uur per dag op sociale media doorbrengt, heeft volgens het model ongeveer 22 procent kans om in ten minste één van de voorgelegde misinformatiestellingen te geloven. Bij één tot drie uur per dag loopt dat op naar ongeveer 25 procent; bij meer dan drie uur naar ongeveer 33 procent.

Toch is dat geen algemeen effect dat voor iedereen even sterk geldt. Het verband is vooral zichtbaar bij mensen ouder dan 45 jaar, praktisch opgeleiden, mensen met een lager wetenschappelijk kennisniveau, mensen met weinig vertrouwen in wetenschap en gebruikers die vooral Facebook of X gebruiken. Voor mensen onder de 34 jaar vonden de onderzoekers zelfs geen samenhang tussen meer socialemediagebruik en meer geloof in misinformatie.

Daarmee haalt het rapport een belangrijk cliché onderuit. Niet jongeren die veel op TikTok of Instagram zitten, vormen volgens dit onderzoek automatisch de grootste risicogroep. Juist oudere gebruikers lijken gevoeliger voor de combinatie van veel socialemediagebruik en geloof in wetenschappelijke misinformatie.

Geen bewijs dat sociale media het vertrouwen in wetenschap ondermijnen

Nog belangrijker is misschien wat het Rathenau Instituut níét vindt. Meer tijd op sociale media hangt in Nederland niet samen met minder vertrouwen in de wetenschap. De vaak gehoorde aanname dat sociale media op zichzelf het wetenschapsvertrouwen aantasten, wordt door deze resultaten dus niet ondersteund.

Wel is er een duidelijke samenhang tussen het geloof in misinformatie en het vertrouwen in de wetenschap. Mensen die vaker in wetenschappelijke misinformatie geloven, hebben gemiddeld minder vertrouwen in de wetenschap — zowel in specifieke wetenschappelijke domeinen als in de wetenschap als geheel. Maar de richting van dat verband is niet zomaar vast te stellen. Het kan zijn dat misinformatie het vertrouwen aantast, maar het kan ook zijn dat mensen met weinig vertrouwen eerder geneigd zijn misinformatie te geloven. Het onderzoek laat vooral zien dat de relatie wederkerig en contextafhankelijk is.

Voor beleidsmakers is dat een cruciale nuance. Wie zich alleen op het verwijderen of corrigeren van online misinformatie richt, mist mogelijk een groot deel van het probleem.

Het belang van een gevarieerd informatiedieet

Een tweede belangrijke bevinding gaat over wat het rapport het “wetenschappelijk informatiedieet” noemt: de diversiteit aan kanalen waarlangs mensen met wetenschap in aanraking komen. Denk aan kranten, televisie, podcasts, populairwetenschappelijke tijdschriften, sociale media, maar ook gesprekken met familie en vrienden.

Hoe diverser het informatiedieet, hoe groter het vertrouwen in de wetenschap. En omdat hoger vertrouwen samenhangt met minder geloof in misinformatie, geloven mensen met een breder informatiedieet gemiddeld ook minder vaak in wetenschappelijke misinformatie. Wanneer sociale media juist het belangrijkste kanaal voor wetenschappelijke informatie zijn, hangt dat samen met lager vertrouwen in de wetenschap.

Dat maakt de opdracht voor wetenschapscommunicatie breder dan simpelweg “meer uitleg geven”. Het gaat niet alleen om de inhoud van afzonderlijke berichten, maar ook om de omgeving waarin mensen wetenschap tegenkomen. Een bericht van een universiteit, een gesprek met een huisarts, een uitlegstuk in een krant en een podcast met een onderzoeker kunnen samen meer betekenen dan één factcheck onder een virale post.

Mensen wegen meer dan alleen feiten

De focusgroepen laten zien hoe complex die afweging in de praktijk is. Mensen beoordelen wetenschappelijke claims op sociale media niet via een vaste checklist. Ze letten op tekst en beeld, op de afzender, op het platform, op de inhoud van de boodschap en op de vraag of ze de informatie kunnen verifiëren. Maar minstens zo belangrijk is hun eigen referentiekader: eerdere ervaringen, verhalen van bekenden, basishoudingen tegenover wetenschap en vertrouwen in instituties.

Een deelnemer kan bijvoorbeeld een bericht over gezondheid betrouwbaarder vinden wanneer het aansluit bij een eigen ervaring met een arts of medicijn. Een ander vertrouwt informatie eerder wanneer die afkomstig is van een gevestigde instantie zoals de NVWA, de Consumentenbond of de huisarts. Tegelijk kan wetenschappelijke informatie minder betrouwbaar overkomen zodra die politiek beladen raakt. Sommige deelnemers maakten tijdens de focusgroepen onderscheid tussen wantrouwen in de wetenschap en wantrouwen in het politieke gebruik ervan.

Dat is een belangrijke les voor een tijd waarin wetenschap steeds vaker een rol speelt in grote maatschappelijke discussies: klimaat, gezondheid, landbouw, AI, energie en veiligheid. Wetenschappelijke kennis is nooit alleen informatie; ze komt terecht in een landschap van belangen, ervaringen en vertrouwen.

Minder alarmisme, meer verbinding

Het Rathenau Instituut waarschuwt ook voor een risico in de aanpak van misinformatie. Alarmistische communicatie over misinformatie, inclusief factchecks, kan averechts werken wanneer die het algemene wantrouwen in informatie versterkt. Wie voortdurend benadrukt dat mensen worden misleid, kan onbedoeld het gevoel voeden dat niets meer te vertrouwen is.

De handelingsopties die het rapport noemt, zijn daarom breder. Zorgverleners en andere professionals moeten beseffen dat overtuigingen niet alleen online ontstaan. Beleidsmakers, wetenschapsjournalisten en wetenschapscommunicatoren kunnen inzetten op een diverser informatiedieet, vooral bij groepen die vatbaarder zijn voor misinformatie. De overheid kan nadenken over een meldpunt voor schadelijke wetenschappelijke misinformatie. Sociale mediaplatforms zouden onafhankelijke onderzoekers betere toegang moeten geven tot data, zodat duidelijker wordt hoe misinformatie zich daadwerkelijk verspreidt.

De kernboodschap is daarmee minder technologisch dan vaak wordt gedacht. Natuurlijk spelen algoritmen, platforms en online netwerken een rol. Maar vertrouwen ontstaat — en verdwijnt — ook aan de keukentafel, in de spreekkamer, op het werk, in de krant, op school en in gesprekken met buren, vrienden en familie.

Wie wetenschap wil beschermen tegen misinformatie, moet dus niet alleen naar het scherm kijken. De echte vraag is wat er gebeurt voordat iemand dat scherm opent.