Logo

Op naar de volgende voedselketen, cirkel voor cirkel

Who is farming whom? Circlefarming-uitvinder Floris Schoonderbeek en WUR-onderzoeker Paul van Zoggel in het EHV Innovation Café.

Published on January 30, 2026

designer Floris Schoonderbeek (inventor Circlefarming) and researcher Paul van Zoggel (Wageningen University & Research & Eindhoven University of Technology)

Designer Floris Schoonderbeek (bedenker van Circlefarming) en onderzoeker Paul van Zoggel (Wageningen University & Research & Eindhoven University of Technology)

Medeoprichter van Media52 en hoogleraar Journalistiek, bouwt aan IO+, events en Laio, met focus op commerciële kansen—en blijft schrijven voor IO+.

Robots in het veld, data in de bodem, mensen in de lus: tijdens een Tech & Design Meetup van het EHV Innovation Café betoogden Circlefarming-uitvinder Floris Schoonderbeek en WUR-onderzoeker Paul van Zoggel dat de echte innovatie-uitdaging niet draait om automatisering, maar om het ontwerpen van autonomie en een leefbaar landschap.

EHV Innovation Café

De zaal voelde niet als een landbouwcongres. Designers, engineers, onderzoekers, bezoekers die er voor het eerst waren, in elke categorie gingen handen omhoog toen moderator Charlotte Grün een snelle peiling deed. En toen kwam de vraag die als een steen in een glas water viel: wie heeft de regie over het voedselsysteem? Boeren? Technologiebedrijven? Beleid? Consumenten? Industrie?

Het publiek aarzelde, verdeelde de stemmen, en legde de spanning van de avond bloot nog voor de eerste spreker zijn drankje had neergezet. Iedereen voelt de verschuiving: landbouw wordt een datavraagstuk, een machinevraagstuk, een ketenvraagstuk. Maar de diepere vraag is menselijk: wat voor voedselsysteem proberen we eigenlijk te bouwen?

Grün zette het gesprek neer als een dubbelinterview met twee onwaarschijnlijke bondgenoten. Floris Schoonderbeek, ontwerper en uitvinder, oprichter van Circlefarming. En Paul van Zoggel, onderzoeker bij Wageningen University & Research en TU/e, die precisielandbouw vertaalt naar tools waar mensen mee kunnen werken.

“De toekomst van de landbouw wordt niet bepaald door machines,” beloofde de introductie, “maar door hoe mensen, data en design leren samen te groeien.” Wat volgde was geen productpitch. Het was een live debat over efficiëntie, afhankelijkheid, en het ongemakkelijke feit dat een ‘beter’ systeem vaak socialer, economischer en politiek lastiger is dan een snel systeem.

Van protest naar prototype

Schoonderbeek kwam niet via de traditionele route in de landbouw terecht. “Ik ben productdesigner, uitvinder en alles daartussenin,” vertelde hij het publiek. Drie jaar geleden, tijdens het hoogtepunt van de Nederlandse boerenprotesten in Den Haag, begon hij op eigen houtje het voedselsysteem te onderzoeken.

“Ik dacht: wat eten we eigenlijk, waar komt het vandaan, en wat is de impact op onze omgeving?” zei hij. Het begon als nieuwsgierigheid; precies het soort nieuwsgierigheid dat designers als professionele methode behandelen: observeren, onderzoeken, prototypen, testen. Maar het werd al snel een systeempreek: hoeveel land gebruiken we? En hoeveel daarvan belandt daadwerkelijk op ons bord?

Schoonderbeek is expliciet over wat design wel en niet kan. “Veel transities zijn… uiteindelijk een sociale transitie,” zei hij. “Technisch weten we wat we moeten doen.” Die zin werd een rode draad door de avond: technologie is niet de bottleneck. Adoptie is dat wel.

Regeneratieve landbouw vraagt meer handen. Of andere machines

Het oorsprongsverhaal van Van Zoggel spiegelde dat van Schoonderbeek, maar via een andere deur. Hij begon zijn carrière in media, IT en computergames, en studeerde aan een kunstacademie in Utrecht. Daarna woonde hij in Roemenië, waar zijn kinderen, zo zegt hij, ontdekten hoe eten kan smaken. Terug in Nederland ontstond de vraag die hem de landbouw in trok: kunnen digitale tools helpen om kwaliteit terug te winnen?

Bij WUR werkt hij al tien jaar aan regeneratieve benaderingen, waaronder strokenteelt (strip cropping). Het principe klinkt bedrieglijk eenvoudig: meer variatie in het veld, minder chemie, gezondere bodem. Maar er zit een adder onder het gras.

“Als we duurzaam voedsel willen maken,” legde hij uit, “hebben we eigenlijk meer variatie in de velden nodig, maar dan hebben we ook meer handen nodig om het te verzorgen.” Machines die gebouwd zijn voor industriële landbouw zijn geoptimaliseerd voor monocultuur: groot, snel, goedkoop. Diversiteit vraagt precisie en precisie vraagt óf arbeid óf slimmere tools.

Grün kwam met een metafoor voor regeneratieve landbouw die de zaal meteen omarmde: je leent een ladder van je buurman en brengt die schoner terug dan je ’m hebt gekregen. Van Zoggel vertaalde dat naar het land: conventionele landbouw haalt vaak nutriënten uit het systeem en compenseert dat met externe input; regeneratieve landbouw wil bodemkwaliteit opbouwen zodat het systeem van binnenuit kan produceren.

Circlefarming: lowtech zekerheid, hightech mogelijkheden

Circlefarming, het project dat Schoonderbeek en Van Zoggel nu samen ontwikkelen, draait om een opvallend idee: een lange, roterende arm die aan een vast punt verankerd is en een perfecte cirkel over het veld trekt.

© circlefarming

© circlefarming

De cirkel is niet het doel, hield Schoonderbeek vol. Het doel is wat die arm mogelijk maakt: voorspelbare positionering, extreme precisie, en een hybride van oude werktuigen en nieuwe technologie. “Wij geloven in mensen, bestaande tools en nieuwe technologie,” zei hij. “In die mix denken we dat regeneratieve landbouw… mogelijk is.”

Zijn kritiek op veel landbouwrobots is scherp: zelfrijdende systemen zijn duur en instabiel omdat ze voortdurend moeten waarnemen, beslissen en corrigeren. Een vast middelpunt verandert de rekensom. “We weten altijd precies waar we zijn,” zei hij. Die stabiliteit maakt het makkelijker om geavanceerde technieken in te zetten, waaronder laserwieden, zonder helemaal op autonomie te hoeven gokken.

Vervolgens verschoof Schoonderbeek van techniek naar psychologie. Op een andere boerderij had hij gevraagd waarom groentebedden organisch gevormd waren, niet strak rechthoekig. Het antwoord bleef hangen: in bochten lopen doet iets met je hoofd; het voelt als een prettigere omgeving om in te werken. Voor Schoonderbeek woog dat net zo zwaar als opbrengst.

“De vraag die ik altijd krijg: wat doe je met de hoeken?” zei hij, vooruitlopend op de klassieke efficiëntiebezwaar. Maar hij stelt dat het systeem juist “ruimte wint” door tractorsporen binnen de cirkel te elimineren en randen te creëren die je kunt teruggeven aan natuur, of aan mensen.

Wat hem minstens zo fascineert als de cirkel zelf, is “wat er tussen de cirkels gebeurt”: de kans om het landschap opnieuw te ontwerpen en misschien de historische frictie tussen stad en platteland te verzachten.

De migrant in de robot: afhankelijkheid als verborgen risico

Op een gegeven moment liet Van Zoggel een AI-gegenereerd beeld zien van de ‘toekomstboerderij’: mensen en robots aan het werk onder een heldere hemel, met een windmolen op de achtergrond. Daarna stelde hij een provocerende vraag: wie is de migrant in deze afbeelding?

ChatGPT, vertelde hij, zag er geen.

Van Zoggel zag er drie: de mens (migratie is een constante in de geschiedenis), de robot (ergens anders gebouwd), en de windmolen: een technologie die al in Perzië bestond lang voordat het een Nederlands icoon werd. De pointe ging niet over weetjes. Het ging over afhankelijkheid.

“Mooi, al die technologie,” zei hij, “maar we worden heel afhankelijk.” Boeren voelen dat nu al: meer software, meer leveranciers, minder gereedschap dat ze zelf kunnen repareren. Hij schetste een geopolitiek scenario zonder drama: wat als de machines die voedselproductie draaien afhankelijk zijn van buitenlandse hardware en een remote softwareschakelaar?

In een regio “tussen Delft, Eindhoven en Wageningen,” betoogde hij, zou Nederland zijn eigen landbouwmachines moeten kunnen bouwen, en de regie dichtbij de boer en de gemeenschap moeten houden.

Het adoptieprobleem: identiteit, niet capaciteit

Zelfs regeneratieve communities kunnen weerstand voelen tegen nieuwe technologie, gaf Van Zoggel toe. Veel mensen kiezen regeneratieve landbouw omdat ze zich verbonden willen voelen met bodem, voedsel en gemeenschap, en ze vermoeden dat sensoren en robots die identiteit bedreigen. “Wij denken dat nieuwe technologie ons juist kan helpen om verbonden te zijn,” zei hij, “maar dat is ook onze sociale uitdaging: hoe introduceren we die technologie in de regeneratieve community?”

Daar positioneert Circlefarming zich: niet als “robots die boeren vervangen”, maar als tools die handen in het veld versterken. Daarom sprak Van Zoggel over ‘digital twins’ die je met een smartphone kunt bouwen: een manier voor kleinere, verbonden boerderijen om inzichten te delen zonder landbouw te veranderen in een black box die door platforms wordt bestuurd.

En daarom opperde Schoonderbeek een ander economisch model: machines niet verkopen, maar leasen, terwijl boeren eigenaar blijven van eenvoudiger gereedschap. Een “bibliotheek van tools”, noemde hij het: gebruik in plaats van bezit.

De ontbrekende betaler in het systeem

Zakelijke vragen domineerden de Q&A: total cost of ownership, schaalbaarheid, productiviteitsvergelijkingen. Schoonderbeeks eerlijke antwoord: de cijfers komen eraan, echt, dit jaar is “het jaar van de cijfers”.

Van Zoggel gaf een hard referentiepunt uit eerdere berekeningen rond strokenteelt: de kosten kunnen op boerderijniveau verdrievoudigen, terwijl de winkelprijs van friet suggereert dat er ruimte zit in de keten. Het probleem is niet of het theoretisch betaalbaar is. Het probleem is waar waarde wordt gevangen en wie betaalt voor extra inspanning.

“Het systeem is kapot omdat niemand betaalt voor de extra moeite,” zei Van Zoggel. Boeren willen veranderen, maar “ze kunnen de rekening nergens neerleggen.” Een medewerker van Rijkswaterstaat in de zaal herformuleerde het als een ‘waardestapel’: voedsel, biodiversiteit, waterretentie, sociale waarde, gezondheid. Waarom zijn ministeries nog steeds zo verkokerd, elk met hun eigen stukje financiering?

Van Zoggels antwoord was pragmatisch: nationaal beleid komt altijd uit bij productielandbouw. Maar decentralisatie kan deuren openen als regio’s geïntegreerde projecten kunnen laten zien, echte plekken waar het gesprek onvermijdelijk wordt.

Effectiviteit vóór efficiëntie

Aan het eind van de avond gaf een vaste bezoeker een samenvatting die klonk als een stelling voor het hele gesprek. We praten te snel over efficiëntie, stelde hij, zonder eerst overeenstemming te hebben over effectiviteit. “Als je heel efficiënt bent, kun je de verkeerde dingen op een heel goede manier doen,” zei hij. “En dat is… wat we nu aan het doen zijn.”

Hij voegde een tweede onderscheid toe: kennis is niet hetzelfde als wijsheid. Wijsheid is hoe je kennis toepast en hoe je een nieuw paradigma introduceert zonder te doen alsof het naadloos in het oude past.

Circlefarming is niet simpelweg een slimme machine. Het is een poging om een landbouwsysteem te ontwerpen dat menselijk, toegankelijk, regeneratief blijft én weerbaar tegen de afhankelijkheden die stilletjes de voedselketen binnensluipen.

De cirkel blijkt dan minder een vorm dan een statement: landbouw is geen lineaire productielijn. Het is een lerend ecosysteem met bodem, gemeenschap, technologie en cultuur. En de vraag is niet óf de robots komen, maar of we onszelf nog herkennen als ze er zijn.