Lees deze AI-slop
Transparantie over AI-gebruik is verplicht, maar leidt tot wantrouwen. Hoe los je die paradox op?
Published on August 20, 2026

Newsroom takeover?
Merien richtte in 2015 samen met Bart E52 op en bedacht onze AI-tool Laio. Hij schrijft columns over waterstof, mobiliteit en het openbaar vervoer.
Bij IO+ zijn we altijd al transparant over het gebruik van AI door de redactie. Dat is niet alleen een ethische keuze, maar sinds 2 augustus 2026 ook een wettelijke verplichting onder de EU AI Act. Toch heeft die openheid een keerzijde: zodra we AI noemen, bijvoorbeeld door ‘Laio’ als auteur tenoemen, wordt de content als ‘AI-slop’ weggezet, nog voordat iemand de tekst heeft gelezen. Het maakt niet uit dat er altijd een mens meekijkt. Het stigma blijft. Deze transparantieparadox dwingt uitgevers tot een onmogelijke keuze: voldoe je aan de wet en riskeer je afwijzing, of houd je AI-gebruik stil en behoud je vertrouwen? Onderzoek en praktijkvoorbeelden laten zien hoe diep dit dilemma zit, en waarom de oplossing niet in regels, maar in cultuurverandering ligt.
De wet zegt: label AI. Het publiek zegt: dan is het minder waard
Sinds 2 augustus 2026 gelden in de EU transparantieregels voor AI-gegenereerde content. Uitgevers moeten duidelijk maken wanneer AI is gebruikt, vooral bij chatbots, deepfakes en teksten over zaken van algemeen belang zonder menselijke toetsing. De EU hoopt hiermee vertrouwen te herstellen, maar de praktijk is weerbarstig. Een studie onder Nederlandse consumenten laat zien dat 70% transparantie wil over AI-gebruik, maar dat dezelfde transparantie de koopintentie verlaagt door zorgen over privacy en controleverlies.
.png&w=2048&q=75)
Bij IO+ leidt het noemen van AI-auteur ‘Laio’ tot afwijzing, zelfs als de tekst door mensen is gecontroleerd. Het probleem is niet de kwaliteit, maar het frame: AI wordt geassocieerd met‘eeriness’, een ongemakkelijk gevoel dat ontstaat door de vervaging van de grens tussen mens en machine. Dit effect is sterker bij symbolische content, zoals opiniestukken of analyses, waar identiteit en emotie een grote rol spelen. De wet verplicht transparantie, maar het publiek reageert met wantrouwen. Een paradox die vraagt om meer dan alleen labels.
Waarom we AI wantrouwen, zelfs als de tekst klopt
Het wantrouwen in AI-gegenereerde content is diepgeworteld en vaak irrationeel. Uit een studie van Science Says blijkt dat posts op sociale media tot 8% minder likes krijgen als ze als AI-gelabeld zijn, zelfs als de inhoud identiek is aan mensgemaakte content. Dit komt door een combinatie van algoritme-aversie, de neiging om algoritmes minder te vertrouwen dan mensen, zelfs als ze beter presteren, en het‘uncanny valley’-effect, waarbij iets dat bijna menselijk is, juist afstotelijk werkt.
Ook speelt mee dat AI wordt gezien als een shortcut: het suggereert luiheid of gebrek aan originaliteit, terwijl menselijke inspanning juist wordt gewaardeerd. Een incident bij Ars Technica, waar een journalist verzonnen citaten publiceerde door onvoldoende controle van ChatGPT-output, versterkt dit beeld. Toch is de oplossing niet om AI te verbergen. Uit onderzoek blijkt dat het stigma minder sterk is als AI wordt gezien als een hulpmiddel binnen een breder proces, zoals Photoshop-filters of vertaalsoftware. De uitdaging is om AI-gebruik te normaliseren zonder de transparantie te verliezen.
De uitzonderingen die de regel bevestigen
De AI Act maakt onderscheid tussen verschillende vormen van AI-gebruik, met uitzonderingen die de transparantieparadox versterken. Zo hoeft AI-gegenereerde tekst niet gelabeld te worden als deze is gecontroleerd door een mens met redactionele verantwoordelijkheid. Dit betekent dat IO+ in theorie geen‘Laio’-label hoeft te gebruiken, zolang de eindredacteur de tekst heeft goedgekeurd. Ook gelden er uitzonderingen voor artistieke, creatieve of satirische content, en voor standaardbewerkingen zoals spellingscontrole. Toch blijft de praktijk complex.
De EU heeft vier pictogrammen ontwikkeld voor het labelen van AI-content, maar gebruikstests laten zien dat deze alleen effectief zijn als ze vergezeld gaan van een tekstlabel, zoals‘AI-gegenereerd’. Bovendien blijft de verantwoordelijkheid bij de uitgever, ook als de pictogrammen worden gebruikt. Voor uitgevers als IO+ betekent dit een spagaat: enerzijds wil je voldoen aan de wet en ethische normen, anderzijds wil je voorkomen dat je content wordt afgewezen. De oplossing ligt mogelijk in het benadrukken van menselijke controle.
De transparantieparadox is uiteindelijk geen technisch of juridisch probleem, maar een cultureel vraagstuk. Onderzoek in de academische wereld laat zien dat transparantie over AI-gebruik leidt tot minder vertrouwen in onderzoekers, zelfs als de AI alleen voor ondersteunende taken is gebruikt. Dit vraagt om een cultuurverandering, waarbij AI wordt gezien als een legitiem hulpmiddel voor specifieke taken, net als een rekenmachine of een tekstverwerker. In de praktijk betekent dit dat uitgevers, redacties en onderzoekers zelf transparant moeten zijn over hun AI-gebruik, om het stigma te doorbreken.
Hoe media de paradox proberen te doorbreken
Sommige media experimenteren met manieren om de transparantieparadox te omzeilen. Zo gebruikte Omroep Brabant een AI-kloon van presentatrice Nina van den Broek om nieuwsartikelen om te zetten in video’s. Het experiment werd tijdelijk stopgezet omdat oudere kijkers het verwarrend vonden, terwijl jongere kijkers het juist waardeerden. DPG Media zet AI in voor het genereren van koppen en het bewerken van teksten, maar benadrukt dat de eindverantwoordelijkheid bij de redactie ligt. NOS gebruikte per ongeluk AI-gegenereerde beelden in het journaal, wat leidde tot kritiek en het afschaffen van sommige AI-tools. Deze voorbeelden laten zien dat transparantie alleen niet genoeg is: de gebruikers van AI, de redacties, moeten ook snappen wat ze gebruiken en welke invloed AI tools hebben. Alleen als je goed met een stuk gereedschap kan omgaan krijg je er goed resultaat uit. Uiteindelijk moet een ‘gemaakt met AI’ label vooral informatief zijn, en niet een waarschuwing.
