Logo

"Kilometers breed, centimeters diep": ons onderwijs deugt niet

OESO's Andreas Schleicher schetst in de NRC-podcast 'Zo Simpel is het Niet' een dramatisch beeld van het Nederlandse onderwijs.

Published on March 14, 2026

school children reading books

Medeoprichter van Media52 en hoogleraar Journalistiek, bouwt aan IO+, events en Laio, met focus op commerciële kansen—en blijft schrijven voor IO+.

Een derde van de Nederlandse 15-jarigen leest onder het basisniveau. Volgens OESO-onderzoeker Andreas Schleicher is dat niet alleen een onderwijsprobleem, maar een risico voor productiviteit, democratie en sociale samenhang. In de NRC-podcast ‘Zo Simpel is het Niet’ leggen Marike Stellinga en Maarten Schinkel bloot hoe een efficiënt ogend systeem toch kan afglijden en waarom “meer geld” niet automatisch het antwoord is.

Bronnen voor dit artikel: NRC-podcast ‘Zo Simpel is het Niet’ (Marike Stellinga & Maarten Schinkel), interview bij de OESO/OECD in Parijs met Andreas Schleicher; OESO/PISA-data en -analyse.

Van Europese top naar onderaan het lijstje

De schok zit niet in één slechte meting, maar in de richting. In de NRC-podcast schetsen Stellinga en Schinkel hoe PISA-scores (de internationale leerlingtoets van de OESO) al ongeveer een decennium dalen in Europa en hoe Nederland daarin extra negatief opvalt. Lezen is het meest pijnlijk: waar Nederlandse leerlingen begin deze eeuw nog bij de beste lezers van Europa hoorden, “bungelen we nu onderaan”.

Hun meest confronterende cijfer: 33% van de Nederlandse 15-jarigen haalt in PISA 2022 leesniveau 2 niet. Dat is het niveau dat volgens PISA nodig is om goed mee te kunnen komen in de maatschappij en het vervolgonderwijs. “Het was begin deze eeuw één op de zeven kinderen,” klinkt het in de podcast. Met andere woorden: in grofweg twee decennia ging Nederland van een probleem dat beperkt was tot een minderheid naar een risico dat één op de drie leerlingen raakt.

Ook het rekenen daalt hard, al blijft Nederland daar relatief beter scoren. Schinkel en Stellinga noemen een wereldranglijst waarin Nederland rond de tiende plek staat in wiskunde (en nog steeds het beste van Europa), maar bij leesvaardigheid rond plek 35 terechtkomt: “ingeklemd tussen Vietnam en Turkije.”

‘School vandaag is onze economie en samenleving morgen’

Andreas Schleicher, al sinds begin jaren 2000 het gezicht achter PISA bij de OESO, bekijkt onderwijs met de blik van een data-onderzoeker die landen bezoekt en vergelijkingen durft te trekken. “Ik ben echt iemand die van data en bewijs leert,” zegt hij in het gesprek dat Stellinga en Schinkel met hem voeren op de OESO in Parijs.

Zijn kernboodschap is groter dan de scoregrafieken: onderwijs bepaalt de toekomst van een land. “Onze scholen vandaag zijn onze economie, onze samenleving van morgen,” stelt Schleicher. En de relatie tussen vaardigheden en economische welvaart is, in zijn ogen, niet kleiner geworden, maar juist groter. Schleicher verwijst naar berekeningen die laten zien dat een substantiële verbetering van PISA-scores zich later vertaalt in een veel hogere economische waarde. Of, zoals hij het hard samenvat: zonder betere basisvaardigheden “zul je in de toekomst geen economische groei kennen.” Al zeker niet omdat Nederland op het gebied van arbeidsproductiviteit ook al belabberd scoort.

Een loterij aan de schoolpoort

Een tweede alarmbel van Schleicher gaat niet alleen over het gemiddelde, maar over de spreiding. In 2022 was volgens hem het verschil tussen zwakke en sterke scholen nergens zo groot als in Nederland. Het systeem is “grillig”: een leerling kan geluk of pech hebben met de school die hij treft.

Opmerkelijk: Schleicher zegt dat die extreme verschillen niet primair voortkomen uit de sociaal-economische achtergrond van de leerlingen, zoals vaak wordt gedacht. “Dat is niet het verhaal in Nederland,” stelt hij. Zijn hypothese is ongemakkelijker: de lat ligt simpelweg lager en het systeem corrigeert onvoldoende wanneer scholen onderpresteren.

Daarin speelt een Nederlandse ‘trots’ mee: autonomie. Schleicher benoemt het contrast met Frankrijk: waar in ons land ongeveer 9 uit de 10 beslissingen over het onderwijs door de school zelf gemaakt worden, is dat in Frankrijk 1 in 10. Autonomie kan innovatie en variatie mogelijk maken, maar het vergt ook stevige, gezamenlijke kwaliteitsbewaking. En precies daar wringt het, volgens hem, als ouders keuzes maken op basis van gemak, sociaal klimaat en reputatie, terwijl uitkomsten achterblijven.

Drie zwakke plekken: verwachtingen, focus, samenhang

Schleicher wijst in het gesprek drie ingrediënten aan die Nederland kwijtgeraakt zou zijn:

  1. Hoge verwachtingen en discipline.
    Nederlandse leerlingen kunnen minder, maar krijgen nog steeds “best aardige cijfers”. Dat is, in Schleichers interpretatie, een signaal dat verwachtingen omlaag zijn bijgesteld.
  2. Focus: minder, maar dieper.
    Deze sneer is bijna een slogan: het Nederlandse curriculum is “een kilometer breed en een centimeter diep.” We willen veel - burgerschap, projecten, vaardigheden - maar de kernvakken worden niet diep genoeg beheerst.
  3. Samenhang en bewezen methodes.
    Autonomie is prima, vindt Schleicher, maar niet als elke school het wiel opnieuw uitvindt. “Je vraagt dokters ook niet om zelf hun medicijnen te ontwikkelen.” In onderwijs, zegt hij, zijn die gezamenlijke principes te veel verdampt.

De vergeten factor: ouderlijke betrokkenheid

Een andere opvallende observatie van Schleicher in de podcast: tussen 2018 en 2022 zou de actieve betrokkenheid van ouders bij school bijna gehalveerd zijn. Hij bedoelt daarmee niet dat ouders uren huiswerkbegeleiding moeten doen, maar de kleine signalen: vragen hoe het was op school, laten merken dat school ertoe doet, respect tonen voor de leraar. “School zal nooit kunnen compenseren wat niet van ouders komt."

Die analyse botst met het beeld van de ‘curlingouder’ die overal bovenop zit. Schleicher draait het om: veel contact is niet per se betrokkenheid bij leren. Het kan ook een consumentrelatie worden, en dat vindt hij gevaarlijk.

Smartphone, AI en de strijd om aandacht

Stellinga en Schinkel leggen een tijdlijn naast de dalende PISA-trend: vanaf 2012 gaan scores omlaag, en dat valt grofweg samen met de massale verspreiding van de smartphone. Ze zeggen er nadrukkelijk bij dat correlatie geen causaliteit is, maar noemen de samenhang veelzeggend.

Schleicher ziet technologie wél als een factor en pleit voor begrenzing: “Geen telefoons op school” is een maatregel die hij ondersteunt. Maar als de smartphone de olifant in de kamer is, dan is AI de mammoet. Schleicher noemt studies waarin leerlingen die AI gebruiken minder onthouden en slechter presteren op dieper begrip. Zijn kernzin: leren gaat over “cognitieve strijd”. AI kan die strijd productief maken - met directe feedback bijvoorbeeld - maar als AI meer dan een hulpmiddel wordt, “dan maakt het ons dommer.”

En dan wordt het voor Schleicher politiek en maatschappelijk: economische ongelijkheid kun je nog herverdelen, zegt hij; sociale ongelijkheid is veel lastiger te repareren. Hij noemt voorbeelden van kinderen die een tekst nog wel kunnen lezen, maar niet meer kunnen beoordelen wat daarbinnen feit of mening is - dat heeft directe gevolgen voor iemands deelname aan een democratie.

Geen geldprobleem, maar een collectief ontwerp

Stellinga en Schinkel eindigen met een ongemakkelijke les uit hun OESO-bezoek: dit is niet op te lossen met alleen extra budget. “Niet dat er meer geïnvesteerd moet worden, maar gewoon anders, beter, slimmer, gerichter.” Onderwijs is te belangrijk om het als een optelsom van wensen, projecten en transacties te behandelen.

Hun oproep klinkt bijna ouderwets, zo geven ze ook zelf toe, maar misschien is dat precies het punt: basisvaardigheden, lerarengezag, focus en samenhang zijn in een tijd van afleiding weer hoogst noodzakelijk geworden. Omdat ze bepalen wie kan meedoen in een economie én een democratie die toch al zo onder druk staat.

Dit artikel is gebaseerd op de NRC-podcast ‘Zo Simpel is het Niet’ en het daarin opgenomen gesprek met Andreas Schleicher (OESO/OECD) in Parijs, aangevuld met de in de aflevering besproken OESO/PISA-gegevens.