Holst Centre "afgerekend op de industrieën die het voortbrengt"
Jo De Boeck, Heleen Herbert, Matthias Diependaele, Tjark Tjin-A-Tsoi en Luc Van den hove over 20 jaar Nederlands-Vlaamse samenwerking.
Published on June 27, 2026
Jo De Boeck, Heleen Herbert, Matthias Diependaele, Luc Van den hove, Tjark Tjin -A -Tsoi. © Bram Saeys
Medeoprichter van Media52 en hoogleraar Journalistiek, bouwt aan IO+, events en Laio, met focus op commerciële kansen—en blijft schrijven voor IO+.
Tijdens Holst Centre Innovation Day waren Nederlandse en Vlaamse politieke leiders en kopstukken uit de onderzoekswereld het over één ding volledig eens: Europa heeft geen gebrek aan kennis. De echte test is of het continent die kennis ook kan omzetten in bedrijven, markten en industriële slagkracht.
Twintig jaar nadat Holst Centre begon als een grensoverschrijdend experiment van imec en TNO, ging de jubileumdiscussie in het Eindhovense Evoluon minder over terugblikken dan over wat er nu moet gebeuren. De centrale vraag was niet of de regio uitstekende wetenschap kan voortbrengen. Dat kan zij overduidelijk. De lastigere vraag is of die wetenschap ook kan worden omgezet in bedrijven die kunnen opschalen, strategische waarde creëren en wereldwijd concurreren.
.png&w=2048&q=75)
Jo De Boeck, EVP en Chief Strategy Officer van imec, zette nog vóór het panel begon de toon. “Kijk niet te veel terug”, zei hij. “Kijk naar waar je staat en naar de situatie van vandaag. Het enige wat je moet doen, is daarvan leren en vooruitgaan.” Het was een passende uitnodiging voor een panel met de Nederlandse minister van Economische Zaken Heleen Herbert, de Vlaamse minister-president Matthias Diependaele, TNO-topman Tjark Tjin-A-Tsoi en imec-voorzitter Luc Van den hove.
Voor Tjin-A-Tsoi moet de volgende fase vooral worden gekenmerkt door een veel scherpere focus op resultaten. “Het gaat hier niet om wetenschap omwille van de wetenschap”, zei hij over het werk van Holst Centre. “Het gaat erom wetenschap naar de markt te brengen en nieuwe industrieën te creëren.” Dat klinkt misschien vanzelfsprekend, maar het raakt direct aan een hardnekkige Europese zwakte: een indrukwekkend vermogen om ideeën voort te brengen, gevolgd door een veel minder overtuigend trackrecord in het omzetten daarvan in marktleiderschap.
Commercialisering vindt te vaak elders plaats
Nederland, stelde Tjin-A-Tsoi, is nog altijd uitzonderlijk sterk in fundamenteel onderzoek. Maar te vaak vindt de commercialisering vervolgens ergens anders plaats. “Het is een soort Nederlands probleem dat we hebben, en dat we moeten overwinnen”, zei hij. “We moeten ervoor zorgen dat onze innovaties daadwerkelijk de markt bereiken, nieuwe industrieën creëren en snel groeien.”
Daarom moet ook de meetlat worden aangepast. In plaats van opnieuw een onderzoeksprogramma of technische mijlpaal te vieren, moet de ambitie volgens hem zijn om “meer unicorns te creëren, meer bedrijven die internationaal succesvol zijn en uitgroeien tot wereldkampioenen zoals ASML”.
Dat gaf het jubileum een nuttig gevoel van urgentie. De geschiedenis van Holst Centre laat zien dat geduldige, grensoverschrijdende samenwerking een onderscheidend innovatieklimaat kan opleveren. Van den hove wees op het langetermijnkarakter van de samenwerking tussen imec en TNO als het werkelijke fundament. “Het is niet opgezet als één los project”, zei hij. “Het is opgezet vanuit een langetermijnvisie, gebaseerd op de complementariteit tussen beide organisaties.”

Luc Van den hove, Tjark Tjin -A -Tsoi, © Bram Saeys
Die complementariteit is ook vandaag nog van belang. imec brengt diepgaande expertise in halfgeleiders en op mondiale schaal mee; TNO heeft een bredere, systeem- en toepassingsgerichte blik. Samen kan die combinatie componenten en chips verbinden met gezondheid, fotonica, robotica, AI, defensie en andere toepassingsgebieden waarin Europa een moeilijk te kopiëren positie kan opbouwen.
Een marathon
Van den hove waarschuwde tegelijk dat succes nooit het resultaat is van een kortlopende financieringscyclus. “Als je de beste wilt worden, is dat het resultaat van een marathon, niet van een sprint”, zei hij. “Je hebt continuïteit op de lange termijn nodig in beleid, financiering, visie, geduld en betrokkenheid.” Versnipperde financieringsinstrumenten en verschillen in nationale regelingen bemoeilijken nog altijd de langetermijninvesteringsplannen die grensoverschrijdende innovatie nodig hebben.
Herbert plaatste de uitdaging nog directer op het punt waar veelbelovende technologie de markt moet bereiken. “De grootste uitdaging is de kloof tussen een briljant idee en de eerste toepassing”, zei zij. “Daarna volgt nog een grote kloof: die tussen de eerste toepassing en een succesvolle markt.” Die route zit vol technische, financiële en organisatorische risico’s.
Bedrijven moeten daarin volgens haar de leiding nemen, maar zij kunnen het niet alleen. Onderzoeksinstituten moeten kennis en infrastructuur leveren, terwijl overheden ervoor moeten zorgen dat de route minder obstakels kent.

Heleen Herbert, © Bram Saeys
Dat betekent regels schrappen die geen waarde toevoegen, fysieke en organisatorische ruimte creëren voor ecosystemen en de Europese interne markt eindelijk behandelen als een industrieel kapitaalgoed in plaats van als een onafgemaakt politiek project. “We moeten samenwerken; we moeten de interne markt in Europa creëren”, zei Herbert. “Niet alleen omdat daar kansen liggen, maar ook om weerbaarder te worden in de wereld zoals die er nu uitziet.”
Pensioenvermogen
Het meest urgente obstakel is echter mogelijk kapitaal. Tjin-A-Tsoi wees erop dat Nederland over aanzienlijke pensioenvermogens beschikt, maar dat slechts een zeer klein deel daarvan beschikbaar is voor risicovolle investeringen met een lange horizon die deeptech-scale-ups nodig hebben. Startups zijn belangrijk, zei hij, maar het werkelijke financieringsgat ontstaat vaak later: wanneer een bedrijf serieus kapitaal nodig heeft om te industrialiseren, teams op te bouwen, internationale markten te betreden en de jaren tot winstgevendheid te overbruggen.
De overheid kan een rol spelen door het vroege risico voor private investeerders te helpen verkleinen, stelde Tjin-A-Tsoi. Maar het bredere doel moet zijn om meer privaat kapitaal vrij te maken voor industriële vernieuwing. “Industriële vernieuwing komt voor een deel voort uit nieuwe bedrijven die vanuit het niets beginnen, zoals ASML, en vervolgens groeien en uitgroeien tot nieuwe kampioenen”, zei hij.
Diependaele herkende dezelfde uitdaging in Vlaanderen. De regio heeft vooruitgang geboekt bij het creëren van startups, zei hij, maar te veel bedrijven verlaten Europa zodra zij moeten opschalen. Hij pleitte voor een goed functionerende Europese kapitaalmarktunie en een ambitieuzere houding ten opzichte van groei.
“Falen maakt deel uit van ondernemerschap. Falen maakt deel uit van innovatie. Falen maakt deel uit van ambitie”, zei hij. “We moeten dat veel meer accepteren. Het is iets wat wij als beleidsmakers niet kunnen controleren of reguleren, maar we moeten het wel nadrukkelijker meenemen in ons politieke verhaal.”
Zijn bredere politieke boodschap was al even duidelijk: Vlaanderen en Nederland zullen nooit winnen door de grootste economieën ter wereld te worden. Ze kunnen er wel voor kiezen om op strategische terreinen de beste te worden. “We zullen nooit de grootste zijn, nooit de sterkste”, zei Diependaele. “Maar we kunnen wel een heel duidelijke politieke keuze maken om op een aantal strategische punten de beste te worden.”
Voorbij de muren van Holst Centre
Juist daar kan Holst Centre ook buiten de eigen muren het verschil maken. De waarde ervan ligt niet alleen in het samenbrengen van wetenschappers over de grens. Het biedt een werkend model voor hoe een meer geïntegreerde Nederlands-Vlaamse industriestrategie eruit kan zien: complementaire expertise, gedeelde faciliteiten, langdurige publieke steun, industriële partners aan tafel en voldoende onderling vertrouwen om te voorkomen dat bureaucratie de samenwerking opslokt.
Tjin-A-Tsoi formuleerde het provocerend. Als Nederland, Vlaanderen en mogelijk ook een deel van Duitsland in staat zouden zijn strategischer te denken als één economisch gebied, zouden zij zich volgens hem kunnen gedragen als een speciale economische zone: investeerders aantrekken, belemmerende regels veranderen en middelen concentreren op internationaal relevante sterktes.
Dat blijft misschien een idee voor een andere keer. Maar de boodschap van het panel was onmiskenbaar. Europa heeft geen nieuwe catalogus met technologische beloften nodig. Het heeft het uithoudingsvermogen, de financiering, de beleidsmatige afstemming en de ondernemende durf nodig om die beloften om te zetten in fabrieken, scale-ups en wereldkampioenen.
Zoals Tjin-A-Tsoi het in de slotfase formuleerde: “Je kunt innoveren wat je wilt. Maar als je het niet vertaalt naar industrie, stelt het niet zoveel voor.”
