Hoe Peter Wennink de voornaamste kritiek op zijn rapport pareert
Wennink: Wie welvaart, zorg, onderwijs en veiligheid wil behouden, móét eerst de taart groter maken en vooral de randvoorwaarden fixen.
Published on January 4, 2026

Peter Wennink bij NPO Radio1
Medeoprichter van Media52 en hoogleraar Journalistiek, bouwt aan IO+, events en Laio, met focus op commerciële kansen—en blijft schrijven voor IO+.
Na veel lof kreeg Peter Wenninks routekaart voor het toekomstig verdienvermogen ook stevige kritiek: te technocratisch, te weinig ‘mens’, financieel onjuist onderbouwd, te hard op sociale zekerheid en te selectief in sectorkeuzes. Nu het stof van de eerste presentatie wat is gaan liggen kijken we naar de belangrijkste kritiekpunten, en hoe Wennink daar zelf vervolgens weer op reageerde.
Hij was bij Nieuwsuur, WNL op Zondag en Sven Kockelmann. Voor deze analyse gebruikten we vooral de radio-interviews bij NPO Radio 1 en BNR, waarin Wennink niet kiest voor damage control, maar voor een consequente verdediging: wie welvaart, zorg, onderwijs en veiligheid wil behouden, móét eerst de taart groter maken en vooral de randvoorwaarden fixen.
Urgentie en ongemak
Toen oud-ASML-topman Peter Wennink begin december zijn rapport presenteerde, was de toon niet vrijblijvend: “donkere wolken” boven de Nederlandse welvaart, en een economie die zonder productiviteitssprong en technologische investeringen onder haar eigen stelsel bezwijkt. In IO+ beschreven we het rapport als “vol urgentie en ongemak”: Nederland groeit volgens Wennink te langzaam om de komende decennia zorg, onderwijs, veiligheid en de energietransitie te blijven betalen. Zijn diagnose: we hebben structureel 1,5 tot 2 procent groei nodig, terwijl de vooruitzichten lager liggen.
Maar waar de ene bestuurskamer het rapport las als Nederlandse vertaling van Draghi’s Europese wake-up call, hoorden anderen vooral een agenda die schuurt. De kritiek kwam uit meerdere richtingen en in de vele interviews die hij als reactie daarop gaf ging Wennink punt voor punt terug naar zijn kern: het gaat hem om verdienvermogen en om het wegnemen van blokkades die investeringen nu simpelweg onmogelijk maken.
Kritiek 1: “Het is groeidenken, terwijl we ook kunnen herverdelen”
Een fundamenteel bezwaar: Wennink bouwt zijn routekaart op de aanname dat economische groei noodzakelijk is. Critici betogen dat je ook via andere belastingmixen (meer op kapitaal, meer op bedrijven) de stijgende kosten kunt dekken, en dat ‘groei’ niet de enige maatschappelijke keuze is.
Wenninks antwoord is opvallend consistent en moreel geladen: hij definieert een “verantwoordelijke samenleving” aan de hand van vier pijlers - werk/inkomen, goed onderwijs, goede zorg, en veiligheid - en zegt: dat pakket wordt duurder door vergrijzing en geopolitiek, dus ergens moet het geld vandaan komen. In zijn uitleg is groei geen ideologie, maar een rekenkundige randvoorwaarde: zonder groei betekent hetzelfde pakket automatisch dat je elders hard moet snijden. Herverdelen kan, zegt hij, maar “er staat geen hek om Nederland”: kapitaal en bedrijven wijken uit als het investeringsklimaat verslechtert. Dat hij daarbij nadrukkelijk wijst op energieprijzen, stikstof, netcongestie en talent als samenhangend geheel, is precies de brug naar zijn rapport.
Kritiek 2: “De mens ontbreekt, vakbonden zaten niet aan tafel”
Een tweede kritiekpunt: het rapport is geschreven met een ondernemersbril. De vakbonden voelden zich genegeerd; ze waren afwezig in de klankbordgroep, en vakbond De Unie noemde het beeld van werknemers als “productiemiddel” en “kostenpost”.
Wenninks weerwoord heeft twee lagen.
- Procesmatig erkent hij dat dit beter had gekund. In het NPO-interview noemt hij als reactie die hem raakte: hadden we niet meer tijd moeten nemen voor de implementatie en het meenemen van de samenleving, inclusief werknemers en sociale partners? Zijn antwoord: ja, dat had gekund, maar de opdracht en timing maakten het “eind 2025” en dus “in korte tijd”.
- Inhoudelijk wijst hij de kernbeschuldiging af. Bedrijven zijn volgens hem geen “buitenaardse entiteit”, maar mensen. En flexibiliteit is volgens hem geen cynische werkgeverswens, maar een reactie op een wereld die onvoorspelbaar is door deglobalisering en technologische disruptie. Fundamentele sociale zekerheid blijft wat hem betreft staan, alleen de vraag is of een deel van die lasten nu te zwaar op werkgevers rust.
Het interessante is dat Wennink daarmee eigenlijk zegt: ja, ik kies voor een economische lens, maar niet omdat “de mens” er niet toe doet; juist omdat je de menselijke belofte (zorg/onderwijs/veiligheid) alleen kunt waarmaken met voldoende verdienvermogen.
Kritiek 3: “De sociale voorstellen zijn hard”
De felste politieke frictie zat in de sociale zekerheidsparagraaf. In het publieke debat sprong vooral één voorstel eruit: het idee om de loondoorbetaling bij ziekte te verkorten. NOS beschreef hoe bonden daarover vielen en het “borrelpraat” noemden.
Wennink pareert dat door het te framen als risicobeheersing voor werkgevers in een tijd waarin wendbaarheid cruciaal is. Hij benadrukt tegelijk dat fundamentele zekerheden (ziekte, werkloosheid) niet ter discussie staan. Zijn lijn: als je wendbaarheid wilt, moet je voorkomen dat bedrijven verstarren door risico’s die te groot zijn om te dragen.
Wat hij daarbij toevoegt (en wat vaak onder de waterlijn blijft) is dat zijn rapport niet alleen over “harder werken” gaat, maar ook over anders werken: hogere arbeidsproductiviteit én voldoende mensen om de energietransitie, zorg en infrastructuur fysiek uit te voeren. De knelpunten zijn dus niet alleen financieel, maar ook praktisch: zonder vakmensen geen netverzwaring, zonder personeel geen zorginnovatie.
Kritiek 4: “Sector- en projectkeuzes: durf je het af te maken?”
Een andere kritiek richt zich op de selectie aan sectoren en de 51 projecten. Wennink wil scherpe keuzes maken omdat Nederland beperkt is in ruimte, netcapaciteit en stikstofruimte. NOS beschreef hoe hij hard is over bijvoorbeeld rundveehouderij en papierindustrie, maar milder over chemie en staal, wat kritiek oproept: waarom blijft staal hier, en hoe ‘strategisch’ is dat precies?
In zijn BNR-uitleg komt een klassiek Wennink-argument terug: strategische autonomie is meerlagig. Staal kan relevant zijn voor defensie en weerbaarheid; bovendien kan juist in een moeilijke sector vergroening en innovatie plaatsvinden, en als zo’n bedrijf vertrekt is er geen garantie dat die decarbonisatie elders wél gebeurt. Dat is niet alleen economisch, maar ook geopolitiek en technologisch: je verliest een plek waar je kunt versnellen.
Kritiek 5: “Te veel top-down, te veel overheidsgeld naar bedrijfsleven”
Ook hier zet Wennink een nuance neer die zijn critici niet altijd meenemen. Op papier vraagt het rapport om enorme investeringen (in de publieke discussie variëren bedragen van minimaal 150 miljard tot richting 187 miljard). Maar in zijn interviews benadrukt hij: de overheid hoeft niet primair in individuele bedrijven te investeren. De kern is: randvoorwaarden invullen - vergunningen versnellen, netcapaciteit, talent, energieprijzen, stikstofslot - zodat privaat kapitaal en investeringslust loskomen. Het bewijs, zegt hij, zit in de dertig rondetafels en de stroom aan projecten: het idee- en investeringsvermogen is er, maar “het kan niet” zolang de basis niet klopt.
Kritiek 6: Kloppen de cijfers wel?
Misschien wel de meest fundamentele kritiek op het rapport-Wennink raakt niet aan de richting, maar aan de onderbouwing. Want hoe stevig zijn de cijfers eigenlijk waarop de urgentie van het verhaal rust? In zijn rapport stelt Wennink dat Nederland zonder ingrijpen afstevent op een financieel onhoudbare situatie. Om de oplopende kosten van vergrijzing, zorg, defensie en klimaatbeleid te kunnen blijven dragen, zou volgens hem een economische groei van 1,5 tot 2 procent nodig zijn. Daarbovenop komt een investeringsopgave van grofweg 150 tot 187 miljard euro. Blijft die groei uit, dan ontstaat volgens het rapport onvermijdelijk een gat in de overheidsfinanciën.
Juist die redenering riep kritiek op. Economen en commentatoren wezen erop dat het rapport verschillende CPB-scenario’s samenbrengt die niet bedoeld zijn om te combineren. Waar Wennink suggereert dat de staatsschuld richting de 200 procent van het bbp kan groeien, komen CPB-ramingen bij ongewijzigd beleid eerder uit rond de 120 à 130 procent. Ook de stelling dat lagere groei automatisch leidt tot koopkrachtverlies wordt betwist: volgens het CPB hangt dat sterk af van politieke keuzes, lastenverdeling en beleid.

Opvallend is dat Wennink deze kritiek niet probeert te pareren met nieuwe berekeningen. Zijn rapport, benadrukt hij, is geen CPB-doorrekening en pretendeert dat ook niet te zijn. Het is een routekaart. De cijfers dienen vooral om de orde van grootte van het probleem zichtbaar te maken, niet om het debat boekhoudkundig te beslechten. “Het gaat erom dat we structureel meer uitgeven dan er binnenkomt, terwijl de kosten blijven stijgen.” In zijn redenering is dat geen technische discussie, maar een bestuurlijke realiteit. Wie het huidige niveau van zorg, onderwijs en veiligheid wil handhaven, moet zorgen dat het verdienvermogen meegroeit.
Daarmee verschuift Wennink de discussie bewust van cijfers naar systeemfouten. Volgens hem ligt het echte probleem niet in een tekort aan geld, maar in het vastlopen van investeringen door netcongestie, stikstofregels, trage vergunningverlening en versnipperd beleid. De investeringsbereidheid is er, stelt hij, maar de uitvoering stokt.
De kern van zijn verdediging: niet iedereen tevreden, wél urgentie
Wat je ook van de routekaart vindt: Wennink kiest niet voor polderen in de marge. Hij omarmt het bestaan van controverse als bewijs dat het onderwerp eindelijk op tafel ligt. En hij herhaalt één zin die, ook buiten de techwereld, een politieke lading krijgt: “de politiek is geen buitenaardse levensvorm.” Met andere woorden: dit is niet alleen een opdracht voor Den Haag, maar een vraag aan de samenleving om offers en prioriteiten te accepteren.
Daar zit ook zijn kwetsbaarheid. Want zodra je zegt dat de richting helder is en “de tijd van rapporten schrijven voorbij”, verschuift het debat naar uitvoering: welke keuzes, welke pijn, wie betaalt, wie profiteert? En precies dáár zat de meest constructieve kritiek: te weinig uitgewerkt hoe je werknemers, sociale partners en burgers meeneemt in de landing van zo’n radicale investeringsagenda.
Misschien is dat de echte follow-up die dit rapport afdwingt: niet nóg een rondetafel over projecten, maar een rondetafel over draagvlak. Want als de boodschap “1 voor 12” klopt, is de vraag niet meer óf Nederland moet bewegen, maar hoe je voorkomt dat de beweging het land in twee kampen splijt.
