Logo

De overgang naar een digitaal leger moet worden versneld

De digitale topman van Defensie is open over de kwetsbaarheid van de organisatie.

Published on May 27, 2026

Jeroen van der Vlugt

© Nick Bookelaar

Mauro verruilde Sardinië voor Eindhoven en volgt als GREEN+ expert de energietransitie. Hij vertelt data-gedreven verhalen en maakt series over duurzaamheid.

Als Chief Information Officer (CIO) van het Nederlandse Ministerie van Defensie (MoD) ben je veel tijd kwijt aan het verdedigen van je beslissingen, aldus Jeroen van der Vlugt. Hij was een van de hoofdsprekers tijdens de Defense Tech Day 2026.

Het evenement, georganiseerd door Nederlandse en Belgische startup-accelerators van de NAVO die deel uitmaken van het DIANA-netwerk, trok een publiek van innovators, belanghebbenden en investeerders. Van der Vlugt gebruikte zijn tijd op het podium om het terrein van digitale transformatie binnen het leger van een NAVO-lidstaat in kaart te brengen: een proces dat snel moet plaatsvinden. Dit, gezien de toenemende omvang van militaire dreigingen. Hij ging onder meer in op politieke wrijving en de daadwerkelijke vooruitgang van de transformatie.

Een wereld met twee snelheden

De ambtenaar bekleedt inmiddels al zes jaar de functie van CIO. Bij zijn aantreden was de opdracht helder: stabiliteit brengen en een einde maken aan de buitensporige uitgaven aan grote ERP-projecten (Enterprise Resource Planning), zodat de middelen van het ministerie van Defensie efficiënter konden worden ingezet. De geopolitieke realiteit gooide echter roet in het eten.

De oorlog in Oekraïne heeft, zo stelt hij, het begrip digitale paraatheid fundamenteel veranderd. De belangrijkste les ging daarbij niet over hardware, maar over software: het vermogen om systemen snel te updaten en aan te passen bleek net zo bepalend als het platform zelf.

Daar zet hij de Nederlandse aanbestedingstermijnen tegenover. Zo werd het programma voor de vervanging van de onderzeeboten jaren geleden al in gang gezet, terwijl de eerste levering pas rond 2035 wordt verwacht. “De onderzeeboot is al verouderd op het moment dat hij de haven binnenvaart,” aldus de CIO. “Het is geen vertraging van tien jaar; in technologische termen is het een eeuw.”

Er is geen andere keuze dan snel te handelen

Om de snelheid van technologische veranderingen te illustreren, verwees Van der Vlugt naar twee voorbeelden. Een daarvan betrof een programma van een collega dat autonome onderwatervoertuigen met torpedocapaciteit leverde aan de Australische marine — van concept tot operationele inzet in ongeveer dertien maanden.

Die snelle cyclus is ook zichtbaar in de oorlog in Oekraïne. Waar in de beginfase nog één operator per drone nodig was, verschuiven moderne autonome zwermoperaties naar verhoudingen van 50 tot soms wel 100 platforms per operator. “Wegwerpbare autonome systemen zullen een groot deel van de toekomstige militaire capaciteit vormen,” zei hij. “We moeten die realiteit samen met onze bondgenoten het hoofd bieden — alleen redden we die schaal niet.”

In dat opzicht sloten zijn uitspraken aan bij die van twee andere keynote-sprekers die dag, luitenant-generaal Ludy Schmidt en brigadegeneraal Steven Lauwereys. Beiden benadrukten dat juist de snelheid van invoering steeds vaker bepalend is voor de vraag hoe effectief nieuwe technologie op het slagveld kan worden ingezet.

Zelf bouwen, inkopen of aanschaffen?

Van der Vlugt stelde dat het oude model — waarin elk militair systeem tot in detail werd uitgetekend, de inkoop traag verliep en het geheel vervolgens tijdens de uitvoering alsnog werd bijgestuurd — niet langer houdbaar is. “Wat we nu proberen te doen, is kant-en-klare oplossingen gebruiken en onze werkwijze aanpassen aan het systeem, niet andersom,” zei hij.

Tegelijkertijd waarschuwde hij dat een defensie die alles ‘van de plank’ koopt, zichzelf geen strategisch voordeel verschaft. Volgens hem draait het om het onderscheid tussen generieke capaciteiten die je kunt inkopen, differentiërende capaciteiten die je zelf ontwikkelt of samen opbouwt, en strategisch kritieke capaciteiten die onder nationale of soevereine controle moeten blijven.

Dat punt illustreerde hij met een voorbeeld uit Nederland: een bedrijf dat lange tijd de enige Europese leverancier was van zeer betrouwbare, door de NAVO gecertificeerde cryptografische producten. Toen de eigendomsstructuur veranderde op een manier die strategische zorgen opriep, moest het ministerie ingrijpen. Binnen NAVO-kaders werd een bestuurlijke constructie opgezet om de capaciteit te beschermen. “Het was een hobbelige rit,” aldus Van der Vlugt, “maar het liet zien hoe belangrijk het is om te weten welke onderdelen van je technologiestack je je niet kunt veroorloven te verliezen.”

Jeroen van der Vlugt

© Nick Bookelaar

Het ministerie van Defensie heeft startups nodig en andersom

Hoe kunnen innovatieve bedrijven het ministerie van Defensie benaderen en met het departement samenwerken? Van der Vlugt had daar een aantal scherpe kanttekeningen bij. Zo herinnerde hij zich een gesprek met de CEO van een groot Europees IT-bedrijf, die eerst een betaalde opdracht verwachtte voordat hij wilde investeren in AI-capaciteiten voor defensietoepassingen. De CIO pareerde dat beeld: “Zijn Google of de grote Amerikaanse techbedrijven begonnen met een overheidsopdracht? Die zijn begonnen met hun eigen geld.”

Volgens hem vraagt echte defensietechnologie erom dat innovatie vooruitloopt op de behoefte, in plaats van uitsluitend te reageren op aanbestedingen. Tegelijkertijd ligt er wel degelijk een rol voor de overheid: het afdekken van ondernemingsrisico’s en het opschalen zodra technologie volwassen genoeg is.

Juist in het huidige geopolitieke klimaat, stelde hij, is een betere wisselwerking tussen overheid en technologiebedrijven noodzakelijk. “We moeten intensiever samenwerken — om te begrijpen wat jullie nodig hebben en hoe jullie de meest bruikbare oplossingen voor ons kunnen ontwikkelen.”