De groene groei in het tomatenblad van Nicola Harrison
Tuinbouw kan sector worden "die voedsel produceert, koolstof vastlegt, afval vermindert, nieuwe materialen levert en economieën versterkt".
Published on June 27, 2026
Nicola Harrison © Startlife
Medeoprichter van Media52 en hoogleraar Journalistiek, bouwt aan IO+, events en Laio, met focus op commerciële kansen—en blijft schrijven voor IO+.
Een tomatenblad is meestal een probleem dat moet worden opgeruimd. In het beste geval wordt het compost. In het slechtste geval is het simpelweg een kostenpost. Nicola Harrison ziet er iets anders in: een mogelijke grondstof voor de verpakking die de tomaten zelf beschermt.
Dat idee vormt de kern van haar nieuwe rapport voor de Nuffield Farming Scholarships, Mapping a Green Growth Strategy for UK Horticulture: From Sustainable Production to the Circular Bioeconomy. Het rapport gaat over de Britse tuinbouw, maar de centrale vraag reikt veel verder dan het Verenigd Koninkrijk: kan een sector die onder druk staat door personeelstekorten, stijgende energiekosten, klimaatverandering en kwetsbare toeleveringsketens uitgroeien tot een motor voor groene industriële groei?
.png&w=2048&q=75)
Voor Harrison, tegenwoordig managing director van de Wageningse agrifoodaccelerator StartLife, is het antwoord ja. Maar alleen wanneer de tuinbouw stopt met duurzaamheid te zien als een last om aan regels te voldoen, en begint met het bouwen van systemen die biologische grondstoffen kunnen omzetten in nieuwe bedrijven, materialen en ketens. “Groene groei is geen eindpunt, maar een transitieroute”, schrijft ze. Die route positioneert de tuinbouw niet alleen als producent van voedsel, maar ook als bijdrager aan “klimaatoplossingen, materiaalinnovatie en regionale economische ontwikkeling”.
Een studiereis die werd onderbroken, niet gestopt
Het rapport begint heel persoonlijk. Harrison vertrok in februari 2020 met een helder plan: reizen langs toonaangevende tuinbouwregio’s, leren hoe telers, onderzoekers en beleidsmakers reageerden op duurzaamheidsdruk, en die lessen meenemen naar het Verenigd Koninkrijk.
Haar eerste bestemming was Australië. Binnen enkele weken sloot covid-19 de grenzen, werden vluchten geannuleerd en moest ze veel eerder dan gepland terug naar huis. “Destijds voelde deze verstoring als een flinke tegenslag”, schrijft Harrison. Uiteindelijk werd zij juist bepalend voor de studie. Omdat reizen onmogelijk was, sprak ze de twee daaropvolgende jaren online met telers, wetenschappers, ondernemers, vernieuwers en beleidsmakers overal ter wereld. De timing bleek onverwacht waardevol. Haar gesprekken vonden niet plaats in een theoretisch debat over veerkracht, maar terwijl voedselsystemen, arbeidsmarkten en toeleveringsketens in realtime werden getest.
Het resultaat is een rapport waarin internationale observaties samengaan met een duidelijke persoonlijke overtuiging: de tuinbouw heeft geen gebrek aan ideeën. Waar het aan ontbreekt, zijn langetermijnsystemen die deze ideeën in staat stellen commerciële werkelijkheid te worden.
“Als senior vrouwelijke wetenschapper in een van oudsher door mannen gedomineerde sector” zag Harrison de beurs ook als een kans om zelfvertrouwen op te bouwen, haar netwerk te verbreden en haar eigen stem te versterken in debatten over leiderschap, duurzaamheid en de toekomst van voedsel. Die persoonlijke laag is relevant. Het rapport is niet geschreven door iemand die de sector van een afstand observeert, maar door iemand die hem van binnenuit probeert te veranderen.
Van eucalyptusolie tot appels van miljarden dollars
Een van Harrisons eerste lessen kwam van Kangaroo Island in Zuid-Australië. Daar ontmoette ze Larry Turner, een ondernemer die de schapenhouderij had verruild voor een bedrijf rond eucalyptus en etherische oliën.
Wat haar trof was niet alleen diversificatie. Turner had er een volledig systeem omheen gebouwd. Hij werkte met de University of Adelaide aan eucalyptusgenetica, investeerde in extractietechnologie en hield op zijn terrein laboratoriumcapaciteit beschikbaar voor productontwikkeling. De reststromen van de olie-extractie werden onderzocht op secundaire toepassingen, terwijl hout dat na destillatie overbleef was bestemd voor een lokale biomassaverwarmingsinstallatie.
Afval was met andere woorden geen onvermijdelijke kostenpost. Het maakte deel uit van het verdienmodel.
Dezelfde logica zag Harrison in Nieuw-Zeeland, waar zij een tuinbouwsysteem aantrof waarin ambities van de sector, onderzoeksfinanciering en overheidsbeleid veel sterker op elkaar aansluiten. De appelindustrie van het land is ongeveer 800 miljoen Nieuw-Zeelandse dollar waard, exporteert circa 95 procent van haar productie en wil doorgroeien naar 1 miljard Nieuw-Zeelandse dollar aan exportwaarde.
De les was echter niet dat we Nieuw-Zeeland simpelweg moeten kopiëren. Het ging om continuïteit. Harrison wijst op een langlopende proef met hoogwaardige onderstammen en geoptimaliseerde teeltsystemen, die opbrengsten tot 220 ton per hectare realiseerde. Het ging niet om één enkele doorbraak, maar om het feit dat het werk meer dan tien jaar lang was volgehouden.
“De les ging niet over replicatie”, schrijft Harrison, “maar over de waarde van langdurige, gecoördineerde investeringen in fundamentele wetenschap.” Die constatering loopt door het hele rapport heen. Landen en regio’s die vooruitgang boeken, leunen niet op één veelbelovende technologie, één subsidieregeling of één pionierende teler. Zij verbinden onderzoek, infrastructuur, financiering, verwerking en marktvraag met elkaar.
De valse tegenstelling tussen natuur en technologie
Harrisons visie op groene groei is geen terugkeer naar laagtechnologische landbouw. Evenmin is het een toekomst van volledig geautomatiseerde kassen die door algoritmes worden beheerd. “De vermeende tegenstelling tussen technologie en natuur is vals”, schrijft ze.
De sterkste tuinbouwsystemen combineren biologisch inzicht met technologische precisie: gewasgenetica en biologische bestrijding met sensoren, dataplatforms, AI-ondersteunde beslissingsinstrumenten en zorgvuldig gecontroleerde teeltomgevingen. Technologie moet de expertise van telers niet vervangen, stelt ze, maar die expertise wel effectiever maken.
Die combinatie wordt steeds zichtbaarder in de glastuinbouw. Precisie-irrigatie kan het waterverbruik verminderen. Omgevingsmonitoring kan de gewaskwaliteit en de timing verbeteren. Nieuwe rassen kunnen worden ontwikkeld voor ziekteresistentie, klimaatbestendigheid, smaak en voedingswaarde. Biologische gewasbescherming kan de afhankelijkheid van synthetische middelen terugdringen.
Maar geen van deze ontwikkelingen mag volgens Harrison worden gezien als een op zichzelf staande oplossing. De echte winst ontstaat wanneer ze zijn ingebed in systemen die voor telers ook commercieel logisch zijn.
Tuinbouw als leverancier van industriële grondstoffen
Het meest ambitieuze argument in het rapport is dat de tuinbouw verder moet kijken dan het voedselschap van de supermarkt. Gewasresten, snoeiafval, afgekeurde producten en bijproducten uit de verwerking kunnen worden omgezet in diervoederingrediënten, functionele stoffen, hernieuwbare energie, vezels, verpakkingsmaterialen en zelfs bouwproducten. De tuinbouw kan volgens Harrison uitgroeien tot leverancier van hernieuwbare biologische grondstoffen voor industrieën die nu nog afhankelijk zijn van fossiele bronnen.
Er zijn al eerste voorbeelden. Een Britse samenwerking tussen APS Produce en Biotech Services Ltd liet zien dat tomatenbladeren kunnen worden omgezet in verpakkingen voor tomaten. Elders worden citrusschillen gebruikt om etherische oliën en smaakstoffen te winnen. Gewasresten kunnen worden verwerkt tot vezels voor textieltoepassingen. Materialen op basis van mycelium wijzen in de richting van alternatieven voor leer en koolstofintensieve bouwmaterialen.
De technische mogelijkheden zijn niet langer het grootste probleem. “De terugkerende uitdaging is daarom niet innovatievermogen, maar systeemontwerp”, schrijft Harrison. Individuele telers kunnen niet zelfstandig inzamelsystemen, regionale verwerkingshubs, standaarden, klantvraag en productiesamenwerkingen creëren. Circulariteit werkt alleen wanneer de hele keten meedoet.
Dat betekent dat telers verbonden moeten worden met voedselverwerkers, materiaalbedrijven, verpakkingsspecialisten, bouwondernemingen, investeerders en klanten. Het betekent dat biomassa op voldoende schaal moet worden samengebracht. En dat betekent dat beleidsmakers bedrijven voldoende zekerheid moeten bieden om te investeren.
Onderzoek omzetten in een programma
Harrison wachtte niet tot het rapport was afgerond om haar ideeën te testen. In 2021 leidde ze de Growing Green-pilot in Kent en Medway, een duurzaamheidsprogramma voor tuinbouwbedrijven en plantaardige voedsel- en drankbedrijven. In drie maanden tijd kregen 33 ondernemingen duurzaamheidstraining, milieuanalyses, op maat gemaakte plannen voor CO₂-reductie en mogelijkheden om van elkaar te leren. Vierentwintig bedrijven ontvingen subsidies, samen goed voor 180.000 pond, om koolstofarme innovaties door te voeren.
Voorbeelden van moderne tuinbouwomgevingen waarin verbeterde genetica, gewasmanagement en precisietechnologie samenkomen om productiviteit, kwaliteit en veerkracht te versterken. Bron: © Nicola Harrison
Een onafhankelijke beoordeling concludeerde dat alle deelnemende bedrijven op koers lagen om hun CO₂-voetafdruk te verkleinen, terwijl zij tegelijkertijd recycling verbeterden, afval terugdrongen en water bespaarden. Het programma zou naar verwachting meer dan twintig banen ondersteunen en tegen 2028 3 miljoen pond aan bruto toegevoegde waarde opleveren in Kent en Medway.
Voor Harrison is die ervaring relevant omdat zij bewijst dat de kloof tussen strategie en uitvoering kan worden gedicht. “Onderzoek vertalen naar actie is niet alleen mogelijk, het is dringend nodig”, schrijft ze.
Het model was eenvoudig, maar krachtig: geef kleinere bedrijven betrouwbaar advies, praktische instrumenten, financiële ondersteuning en een netwerk van gelijkgestemden. Daarmee werd het risico van iets nieuws proberen kleiner. Belangrijker nog: bedrijven kregen reden om duurzaamheid te zien als een investering in veerkracht, en niet als nog een extra kostenpost.
De ontbrekende infrastructuur
Harrisons slotoproep is scherp. Het Verenigd Koninkrijk (en misschien wel de hele wereld) moet langlopende innovatieprogramma’s van tien jaar of meer voor de tuinbouw opzetten, in plaats van van bedrijven te verwachten dat zij zichzelf transformeren via korte subsidierondes en versnipperde projecten.
Ze pleit voor regionale verwerkingshubs, sterkere verbindingen tussen tuinbouw en maakindustrie, betere marktinformatie, stabiele standaarden en beleidsafstemming tussen voedsel, landbouw, klimaat en industrie. Ook stelt zij dat het Verenigd Koninkrijk opnieuw moet kijken naar het idee van een Green Bioeconomy Centre: een nationale of regionale voorziening waar onderzoek, demonstratie, ondersteuning bij commercialisering en ketenontwikkeling samenkomen.
Een eerdere subsidieaanvraag voor zo’n centrum werd afgewezen. Harrison verbergt haar teleurstelling niet. Maar ze ziet die afwijzing ook als bewijs voor precies het probleem dat haar rapport blootlegt: veelbelovende, sectoroverstijgende ideeën lopen vaak vast omdat ze niet netjes passen binnen bestaande financierings- en beleidssilo’s. De noodzaak, stelt ze, is alleen maar urgenter geworden.
Over tuinbouw wordt vaak gesproken in termen van boerderijen, oogsten en supermarktschappen. Harrisons rapport vraagt ons iets groters voor te stellen: een sector die voedsel produceert, koolstof vastlegt, afval vermindert, nieuwe materialen levert, regionale economieën versterkt en bedrijven rond biologie bouwt.
Het tomatenblad is een klein voorbeeld. Maar het draagt een grote boodschap in zich. De waarde is er al. Wat ontbreekt, is het ecosysteem dat die waarde in omloop houdt.
