Campussen essentieel element in nieuwe bestuursakkoorden
De Campus Consulting Group onderzocht de uitkomst van de nieuwe bestuursakkoorden voor gemeenten met meer dan 150.000 inwoners.
Published on July 14, 2026
Medeoprichter van Media52 en hoogleraar Journalistiek, bouwt aan IO+, events en Laio, met focus op commerciële kansen—en blijft schrijven voor IO+.
Na de gemeenteraadsverkiezingen van 18 maart zijn nieuwe coalities gevormd, wethouders benoemd en bestuursakkoorden gesmeed. Maar wat betekent dat voor de ontwikkeling van campussen, scienceparken en innovatiedistricten? De Campus Consulting Group onderzocht dit voor gemeenten met meer dan 150.000 inwoners.
De belangrijkste conclusie: campussen zijn in vrijwel alle grote steden inmiddels onderdeel van zowel economisch als ruimtelijk beleid.
.png&w=2048&q=75)
Campussen worden niet langer uitsluitend gezien als vestigingsplaats voor kennisinstellingen, maar als instrument voor talentbinding, schaalbare bedrijven, strategische technologie, regionale werkgelegenheid en stedelijke groei. Er zijn slechts twee gemeenten die campussen niet benoemen in het akkoord: Haarlemmermeer werkt wel met innovatieve sectoren, maar benoemt in het akkoord geen concrete campus, sciencepark of innovatiedistrict. En Amersfoort heeft weliswaar bouwstenen voor een toekomstige innovatiedistrictbenadering (centrale ligging, sterke stationslocaties, grote gebiedsontwikkelingen, regionale samenwerking en energiehubs), maar het coalitieakkoord maakt daar nog geen samenhangende economische propositie van, laat staan dat er een beleid is voor campusontwikkeling.
Methode
"De uitdaging is niet om een campus te ontwikkelen, maar om een ecosysteem te organiseren dat op lange termijn aantrekkelijk blijft voor bedrijven, talent en investeerders. Dat vraagt om een sterke governance, een houdbaar businessmodel en een organisatie die samenwerking actief stimuleert," zegt Jurgen van de Rijke van de Campus Consulting Group. “Dat zien we ook terug in de initiatieven die met onze adviezen aan de slag zijn gegaan.”
De meest concrete ontwikkelagenda’s
Rotterdam koppelt Life Sciences & Health expliciet aan ruimte. De stad wil via het Masterplan 2050 op termijn 220.000 m² bedrijfsruimte toevoegen aan campus Dijkzigt, voor labs, startups en scale-ups rond Erasmus MC. Daarnaast reserveert Rotterdam binnen de brede uitvoering van de Omgevingsvisie € 544 miljoen voor onder meer bedrijfsruimten en campussen rond gebiedsontwikkelingen. Dit is een volwassen campusstrategie: kennis, zorg, kapitaal, talent en vastgoed worden in één economische agenda samengebracht.
Arnhem kiest voor het Innovatief Maakdistrict Arnhem als ruimtelijke drager van zijn energie- en maakprofiel. Het akkoord noemt onder meer Het Broek, Nieuwe Haven en Cleantech Park Arnhem, gekoppeld aan innovatie, netcongestie, circulaire economie en slimmer ruimtegebruik op bedrijventerreinen. In de financiële tabel staat bovendien structureel budget voor de Spoorzone en het Innovatief Maakdistrict Arnhem. Arnhem behandelt de campus/districtgedachte daarmee nadrukkelijk als onderdeel van industriële transitie, niet als los startupbeleid.
Breda kiest opvallend scherp voor een eigen profiel: Toegepaste Technologie en Creativiteit, met robotica, AI, gaming, creative tech en ondernemerschap. Het Innovatiedistrict moet de fysieke plek worden waar startups, creatieve ondernemers en innovatieve bedrijven “landen, groeien en samenwerken”. Daarvoor reserveert Breda € 1,8 miljoen aan exploitatiemiddelen en € 4 miljoen aan investeringsmiddelen. Daarmee behoort Breda, samen met Rotterdam en Tilburg, tot de steden die een innovatiegebied niet alleen benoemen, maar ook financieel ondersteunen.
Tilburg heeft de meest klassieke greenfield-aanpak. De stad zet door met fase 1 van Innovatiecampus Wijkevoort: 40 hectare, groen ingepast en onder gemeentelijke regie via grondbeleid en erfpacht. Wel is de uitvoering afhankelijk van de uitspraak van de Raad van State; over fase 2 neemt Tilburg deze bestuursperiode nog geen besluit. Het akkoord combineert deze campus met de revitalisering van bestaande terreinen en de ambitie om innovatieclusters en -milieus te realiseren.
Groningen heeft de breedste campusopvatting. De gemeente ondersteunt de ontwikkeling van de Zernike Campus, Vitaliteitscampus en Healthy Ageing Campus als plekken waar onderwijs, onderzoek en bedrijven samenwerken. Zernike wordt ook letterlijk een volwaardiger stadsdeel: eerst 500 van in totaal 1.500 woningen voor studenten en medewerkers moeten daar een “echte campus” helpen vormen. Daarnaast positioneert Groningen de Niemeyer Campus, met de AI-fabriek, als digitale hotspot voor innovatie, talent en toepassing door het mkb. Hier gaat campusontwikkeling dus over innovatie én wonen, voorzieningen, onderwijs en sociale ontmoeting.
Enschede formuleert waarschijnlijk de meest geïntegreerde technologie-agenda. Kennispark Twente moet verder uitgroeien tot een nationaal en internationaal herkenbaar innovatiecluster voor sleuteltechnologieën, hoogwaardige maakindustrie en samenwerking tussen onderwijs, onderzoek en bedrijven. De Vredesteinlocatie moet Kennispark substantieel versterken; Technology Base Twente krijgt prioriteit als ontwikkel- en testlocatie voor Defensie, luchtvaartinnovatie, drones en unmanned systems. De coalitie verbindt daar ook de fotonische chipfoundry New Origin, bereikbaarheid en actieve lobby richting Rijk en provincie aan. Dat is campusbeleid als regionale industriepolitiek.
Den Haag heeft met het Central Innovation District een van de meest expliciete stedelijke innovatiedistrict-agenda’s in deze reeks. De stad wil het CID verder ontwikkelen als gemengd stedelijk gebied waar wonen, werken, onderwijs en innovatie samenkomen, maar kiest tegelijk voor een nuchtere herijking: minder nadruk op de overkoepelende naam, meer op de identiteit en kwaliteit van de afzonderlijke deelgebieden. De campusboulevard moet daarbij een fysieke verbinding worden tussen onderwijs, innovatie, wonen en werkgelegenheid, mogelijk versterkt door het verwijderen van een deel van het Bernardviaduct om ruimte te maken voor kantoren, hoger onderwijs, studentenhuisvesting, vergroening en openbare ruimte. Daarnaast kiest Den Haag voor twee thematische campuslijnen: een internationale cybercampus rond The Hague Security Delta en het House of Cyber, en Campus@Sea in Scheveningen, waar maritieme veiligheid, voedselzekerheid, vitale infrastructuur op zee en defensiegerelateerde activiteiten samenkomen. Daarmee is de Haagse aanpak minder klassiek scienceparkachtig dan bijvoorbeeld Enschede of Groningen, maar juist sterk als stedelijk, internationaal en veiligheidsgericht innovatiedistrict.
Sterke strategische ambities, maar minder hard uitgewerkt in vastgoed of geld
Eindhoven noemt campussen “dé plek voor high-techbedrijven” en zet de strategie ‘Grip op Campussen’ voort, in afstemming met Brainport Development. De nadruk ligt op versterking en facilitering van bestaande campussen, in combinatie met ruimte voor high-techbedrijven, verduurzaming van bedrijventerreinen en versterking van sleuteltechnologieën zoals fotonica. Anders dan Rotterdam of Breda bevat het akkoord hier geen afzonderlijk campusinvesteringsbedrag, maar de bestuurlijke positionering is zeer expliciet.
Amsterdam kiest voor een brede innovatie-economie rond AI/digitaal, klimaat en gezondheid. Het akkoord wil voldoende fysieke ruimte, campussen, innovatiehubs en bedrijfsverzamelgebouwen bieden, en het fundament van innovatiedistricten versterken. De formulering is ambitieus maar generiek: er worden geen concrete locaties, hectares of afzonderlijke investeringsbedragen genoemd. Amsterdam kiest vooral voor ecosysteembouw, samenwerking met kennisinstellingen en een profiel rond verantwoorde tech.
’s-Hertogenbosch positioneert het Innovatiekwartier als het “kloppend hart” van de Bossche FairTech-agenda: de verantwoorde toepassing van AI en digitale technologie. De stad wil hiervoor samenwerken met mbo, hbo, Brabantse universiteiten en Brainport. Daarnaast wordt het Innovatie Kwartier Den Bosch gebruikt voor digitale en technische vaardigheden van jongeren. De lijn is helder, maar blijft vooral programmatisch: het akkoord bevat minder concrete ruimtelijke of financiële uitwerking dan Breda, Tilburg of Enschede.
Apeldoorn bouwt het innovatiedistrict in de Spoorzone verder uit rond veiligheid en weerbaarheid. Onderwijs, startups, scale-ups, Defensie, politieacademie, het Centrum voor Veiligheid en Digitalisering en bedrijven moeten daar samenkomen. Ook New Tech Park krijgt steun. Apeldoorn kiest daarmee bewust voor specialisatie: niet “algemene innovatie”, maar een campusachtige omgeving rond veiligheidsvraagstukken van morgen.
Almere ziet de High Tech Campus als vliegwiel voor toeleveranciers in de maakindustrie én voor technisch mbo-, hbo- en universitair onderwijs. De stad wil waarde toevoegende, innovatieve, duurzame en circulaire bedrijvigheid aantrekken en zet in op flexibele werkruimte voor startups en scale-ups. Daarmee is de campus hier vooral een middel om de relatief jonge stad economisch completer te maken en uitgaande pendel terug te dringen.
Haarlem kiest voor campusvorming in een lichtere, netwerkachtige vorm. De gemeente wil samenwerking tussen kennisinstellingen, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties stimuleren en ondersteunt innovatieve faciliteiten en hubs zoals C-District, de Koepel en Spaarnelabs. Dit is minder een grootschalige gebiedsontwikkeling en meer een strategie voor stedelijke innovatie-infrastructuur, gekoppeld aan mbo, stages en talentontwikkeling.
Campussen vooral als onderwijs-, woon- of talentinstrument
Utrecht noemt Utrecht Science Park als een van de gebiedsontwikkelingen die de komende periode verder gaan. De betreffende passage in het akkoord staat echter vooral in een ruimtelijke context: voorzieningen moeten aan de voorkant worden ingepast in een verdichtende, gezonde stad. Opvallend is dat Utrecht tegelijk vanaf 2027 jaarlijks € 400.000 bespaart door het subsidieprogramma voor startups en scale-ups te versoberen. De campusontwikkeling blijft dus ruimtelijk relevant, maar de directe gemeentelijke innovatie-instrumenten worden soberder.
Nijmegen behandelt de campus voornamelijk als studentenstad- en woonopgave. De stad wil meer levendigheid, sport, cultuur en voorzieningen op en rond de campus, en staat positief tegenover studenten- en medewerkershuisvesting op de campus. Ook onderzoekt Nijmegen de transformatie van een HAN-pand naar studentenwoningen. Dat is betekenisvol voor het functioneren van de kennisstad, maar het akkoord formuleert geen aparte innovatie- of scienceparkagenda.
Zaanstad noemt de techniekcampus Techlands en Mainstage Event Campus als goede voorbeelden van leer-werkverbindingen tussen onderwijs en bedrijven. De inzet is vooral arbeidsmarktgericht: stages, banen, talentontwikkeling en ondersteuning van een startupcultuur. Er staat geen ruimtelijk programma voor verdere campusontwikkeling tegenover.
De uitzonderingen en de terminologie
Haarlemmermeer kiest inhoudelijk wel voor innovatieve en duurzame sectoren zoals ICT & technologie, Life Sciences & Health, energie en grondstoffen. Maar in het akkoord ontbreekt een concrete verwijzing naar een campus, sciencepark, innovatiehub of innovatiedistrict. De gemeente formuleert dus een sectorstrategie zonder expliciete ruimtelijke innovatieplaats. Iets soortgelijks geldt voor Amersfoort: geen expliciete verwijzing naar een campus, sciencepark, kennispark of innovatiedistrict. Ook ontbreekt een afzonderlijke economische paragraaf met doelen voor innovatie, startups, scale-ups, kennisintensieve werkgelegenheid of specifieke werklocaties.
Dan nog over de terminologie: de term sciencepark komt in deze set feitelijk alleen expliciet terug als Utrecht Science Park. De dominante taal is inmiddels anders: campus, Kennispark, Innovatiekwartier, Innovatiedistrict, maakdistrict, hub of innovatiemilieu. Dat is niet alleen semantiek. Het duidt erop dat steden minder denken in afgebakende onderzoeksparken en meer in gemengde stedelijke ecosystemen waarin bedrijven, onderwijs, wonen, voorzieningen, talent en publieke opgaven samenkomen.
Wat zegt dit over de koers van grote steden?
Drie trends vallen op.
De eerste grote verschuiving is dat ruimte de kern van innovatiebeleid is geworden. In bijna alle sterke passages gaat het uiteindelijk over vierkante meters, planologie, grondbeleid, bereikbaarheid, campuswonen, labruimte of het beter gebruiken van bestaande bedrijventerreinen. Rotterdam noemt 220.000 m² voor Dijkzigt, Breda investeert gericht in fysieke ruimte, Tilburg zet 40 hectare klaar, Enschede kiest voor uitbreiding van Kennispark via Vredestein. Innovatiebeleid zonder vastgoedstrategie bestaat in deze akkoorden nauwelijks meer.
Ten tweede is de functie van campussen veel breder dan kennisvalorisatie. Ze worden ingezet voor strategische sectoren en maatschappelijke opgaven: gezondheid in Rotterdam, energie en maakindustrie in Arnhem, chips en defensietechnologie in Enschede, AI in Groningen en ’s-Hertogenbosch, veiligheid in Apeldoorn, high tech in Eindhoven en Almere, en creatieve technologie in Breda. De campus is daarmee een lokale vorm van industriepolitiek geworden.
Ten derde valt op dat de sterkste strategieën niet uitsluitend over startups gaan. Ze verbinden de hele keten: talent, onderzoek, startups, scale-ups, volwassen bedrijven, productie, woonruimte, voorzieningen en bereikbaarheid. Vooral Groningen, Enschede en Rotterdam formuleren zo’n volledige keten. Dat maakt hun aanpak robuuster dan een beleid dat uitsluitend inzet op incubators, evenementen of subsidieprogramma’s.
Met andere woorden: ketens en ecosystemen zijn de kern geworden. "De komende jaren worden niet gewonnen door de regio met de mooiste plannen, maar door de regio die duurzame samenwerking weet te organiseren. Het gaat niet om tijdelijke projecten, maar om ecosystemen die over tien of twintig jaar nog steeds nieuwe bedrijven, talent en innovaties aantrekken," aldus Maurice Lambriex van de Campus Consulting Group. “Wij zien ook vanuit onze eigen ervaring duidelijke aanknopingspunten voor gemeenten die op deze manier kunnen denken en opereren.”
Tegelijk zit er een duidelijk verschil tussen concrete uitvoering en strategische taal. Rotterdam, Breda, Tilburg, Arnhem en Enschede koppelen ambities aan meetbare ruimte, geld, locaties of planologische acties. Amsterdam, Eindhoven en ’s-Hertogenbosch formuleren sterke richtingen, maar blijven in dit akkoord relatief minder precies over locaties, fasering en publieke investeringen. Utrecht laat bovendien zien dat een prominente scienceparklocatie niet automatisch leidt tot extra innovatiebudget: de start-up/scale-upregeling wordt juist versoberd.
De kern: de grote gemeenten zien campusontwikkeling steeds minder als een luxe voorziening voor kenniswerkers. Zij zien haar als noodzakelijke infrastructuur voor economische weerbaarheid, technologieontwikkeling en toekomstig verdienvermogen. Maar de steden die daadwerkelijk verschil kunnen maken, zijn vooral de steden die die gedachte ook vertalen in grond, gebouwen, bereikbaarheid, programma’s, langdurige publieke regie en vooral: inbedding in logische ketens en ecosystemen.
En verder?
Een aantal erkende nationale topcampussen ligt in steden met minder dan 150.000 inwoners. Het gaat daarbij om steden als Maastricht, Leiden, Delft, Wageningen en Sittard-Geleen, vanwege hun omvang buiten de afbakening van dit artikel. In een volgend artikel redeneren we vanuit de nationale topcampussen en bekijken we hoe zij aansluiten bij gemeentelijk, regionaal en nationaal beleid.
