Logo

Bernardo Kastrup ziet voor Europa nog één kans in de AI-race

Waarom de CEO van Euclyd stelt dat AI-soevereiniteit niet in software wordt gewonnen, maar in hardware

Published on January 11, 2026

Europe is a computer chip

Medeoprichter van Media52 en hoogleraar Journalistiek, bouwt aan IO+, events en Laio, met focus op commerciële kansen—en blijft schrijven voor IO+.

Europa’s positie in de wereldwijde AI-race wordt vaak in fatalistische termen beschreven. Geavanceerde chips komen uit Azië, hyperscale AI-platforms uit de Verenigde Staten, en Europa blijft achter om te reguleren, bij te sturen en te hopen op het beste. In een lange en compromisloze essay rekent filosoof van de geest en halfgeleiderondernemer Bernardo Kastrup af met dat narratief. Zijn conclusie is scherp, maar onverwacht optimistisch: Europa kan nog steeds AI-soevereiniteit bereiken—maar alleen als het afziet van de illusie dat software alleen ons zal redden en in plaats daarvan de controle over AI-hardware herwint.

Kastrup, oprichter en CEO van Euclyd, benadert AI niet louter als een technologisch vraagstuk, maar als een beschavingskwestie. “Om het voortbestaan van zijn manier van leven te waarborgen,” schrijft hij, “moet Europa de middelen hebben om de inzet van AI op zijn grondgebied te controleren, zodat dit op onze voorwaarden gebeurt.” Waarden als democratie, mensenrechten en machtsspreiding, betoogt hij, kunnen niet worden veiliggesteld als de kerninfrastructuur van intelligentie wordt geïmporteerd en extern wordt gecontroleerd.

Waarom AI-alignment niet in software wordt opgelost

Een centrale aanname in Europese AI-beleidskringen is dat soevereiniteit kan worden bereikt via ‘aligned’ Europese AI-modellen—softwaresystemen die zijn getraind om Europese normen en regelgeving te weerspiegelen. Kastrup noemt die overtuiging fundamenteel misleidend. Alignment, stelt hij, is geen intrinsieke eigenschap van modellen, maar een emergent resultaat van training, feedback en context.

“Proberen het alignment-probleem op te lossen met eigen softwaremodellen,” schrijft hij, “is alsof je hersenchirurgie voorschrijft om een gebrekkige opvoeding te corrigeren.” De analogie is bewust gekozen: net zoals menselijke waarden worden gevormd door leren en sociale interactie, worden AI-waarden gevormd door trainingsomstandigheden, niet door de herkomst van het algoritme.

Belangrijker nog: het trainen en opschalen van AI vereist enorme rekenkracht. Zonder veilige toegang tot AI-hardware kan Europa geavanceerde systemen niet trainen, finetunen of zelfs maar betekenisvol aansturen—ongeacht waar de code vandaan komt. Hardware, niet modellen, vormt de primaire bottleneck voor soevereiniteit.

De verborgen kosten van GPU-dominantie

Kastrups kritiek wordt scherper wanneer hij zich richt op het dominante AI-hardwareparadigma van vandaag: de GPU. De wereldwijde AI-boom, zo merkt hij op, berust op een historisch toeval. Toen transformermodellen opkwamen, bleken ze te draaien op grafische processors die oorspronkelijk voor videogames waren ontworpen. Die toevallige compatibiliteit stuwde bedrijven als NVIDIA naar de top, maar sloot de industrie tegelijk op in een diep inefficiënte architectuur.

“NVIDIA’s grootste voordeel,” schrijft Kastrup, “is tegelijk zijn achilleshiel: het bedrijf zit vast in een compleet paradigma en ecosysteem dat catastrofaal inefficiënt is.” GPU’s behandelen AI-workloads alsof het wereldwijde, grafisch intensieve problemen zijn, terwijl AI in werkelijkheid steunt op lokale, gedistribueerde datastromen. Het resultaat is een verbluffende energieverspilling. Datacenters plannen inmiddels eigen kerncentrales om AI van stroom te voorzien, en volgens het Internationaal Energieagentschap kunnen AI-datacenters in 2030 bijna 1.000 TWh elektriciteit verbruiken.

Die inefficiëntie, betoogt Kastrup, is geen natuurwet, maar een ontwerpfout.

Europa’s verkeerd begrepen achterstand

Waarom is Europa dan achteropgeraakt? Niet door een gebrek aan intelligentie of capaciteiten, stelt Kastrup, maar door historische specialisatie. De Europese halfgeleiderindustrie ontwikkelde zich rond de behoeften van de auto-industrie: lange productcycli, extreme betrouwbaarheid en geringe gevoeligheid voor energieverbruik van chips. Aziatische fabs daarentegen werden gevormd door smartphones—korte cycli, meedogenloze kostendruk en voortdurende energie-optimalisatie.

Die divergentie zette Europa op achterstand aan de absolute voorhoede van chipfabricage. Maar, zo benadrukt Kastrup, ze heeft Europa’s kracht in chipontwerp niet uitgewist. Een concurrerende chip wordt niet alleen bepaald door de productienode, maar ook door architectonische intelligentie. En juist daar wordt Europa’s traditie van precisie-engineering een troef.

“AI is geen videogamegraphics,” schrijft Kastrup. Dat inzicht opent de deur naar radicaal efficiëntere, AI-specifieke hardware—van de grond af ontworpen, in plaats van aangepast van consumentengrafica.

Ontwerp als Europa’s strategische hefboom

Bij Euclyd, zo stelt Kastrup, levert zo’n herontwerp systemen op die tot honderd keer efficiënter zijn dan huidige GPU-oplossingen, gemeten in kosten, energieverbruik en fysieke voetafdruk. Die efficiëntiemarge kan strategisch worden ingezet: om gevestigde spelers te overtreffen op geavanceerde Aziatische productienodes, of om Europa’s productieachterstand te compenseren door chips lokaal te maken en toch concurrerend te blijven.

Hier komt Europa’s gefragmenteerde maar indrukwekkende ecosysteem in beeld. Kastrup wijst op geavanceerde planaire chipontwikkeling bij CEA-Leti, toonaangevende verpakkings­technologieën bij IMEC, leiderschap in vermogenselektronica bij Infineon, AI-relevante systeemexpertise bij NXP Semiconductors en opkomende Europese CPU’s van SiPearl.

Europa staat met andere woorden niet met lege handen. Wat ontbreekt, is coördinatie en ambitie.

Een soevereiniteitsstrategie in jaren, niet decennia

Kastrups meest prikkelende stelling is temporeel: Europese AI-hardware­soevereiniteit, betoogt hij, vergt geen dertig jaar. Met gerichte investeringen, continentale coördinatie en de bereidheid om een beperkt aantal deeptech-spelers op schaal te ondersteunen, kan zij vóór 2030 worden bereikt—tenminste in strategische domeinen zoals overheid, defensie, financiën en kritieke infrastructuur.

Deze sectoren zijn minder prijsgevoelig, vragen lagere volumes en omvatten de meest gevoelige data. Precies waar soevereiniteit het belangrijkst is, doen Europa’s nadelen er het minst toe.

“Europese AI-soevereiniteit over de hele waardeketen kan nog vóór het einde van dit decennium worden bereikt,” concludeert Kastrup. Het alternatief—blijven vertrouwen op buitenlandse hardware terwijl we alignment op softwareniveau bediscussiëren—is geen voorzichtigheid, maar zelfgenoegzaamheid.

Kastrups essay leest minder als een manifest en meer als een uitdaging. De toekomst van AI in Europa, zo betoogt hij, zal niet worden bepaald door regelgeving alleen, noch door het bijhalen van andermans race. Zij zal worden beslist door de vraag of Europa het aandurft de machine in het hart van intelligentie opnieuw te ontwerpen—en zo de regie over zijn eigen technologische lot terug te nemen.

Europe's last hope in the AI race | Bernardo Kastrup » IAI TV
iai.tv

Europe's last hope in the AI race | Bernardo Kastrup » IAI TV

Europe must gain AI sovereignty; here's how they can do it