Aan tafel zitten of op het menu staan? TNO’s oproep aan Europa
"Autonome technologieën kunnen mondiale uitdagingen oplossen, van personeelstekorten in de zorg tot de CO₂-transitie en klimaatverandering."
Published on April 10, 2026
Medeoprichter van Media52 en hoogleraar Journalistiek, bouwt aan IO+, events en Laio, met focus op commerciële kansen—en blijft schrijven voor IO+.
Ter opening van het Nationaal Congres Autonomous Systems (NCAS’26) in Drachten gaf Christa Hooijer, Chief Scientist bij TNO, een indringende reality check over de verbanden tussen autonome systemen en geopolitiek. Hoewel de dag in het teken stond van de technische en maatschappelijke mogelijkheden van robotica en AI, tilde Hooijer het gesprek meteen naar een mondiaal niveau. Voor haar is de opkomst van autonome systemen onlosmakelijk verbonden met een veel grotere vraag: de geopolitieke autonomie en het voortbestaan van Europa.
Het einde van een voorspelbare wereld
Hooijer hield haar publiek een harde spiegel voor: het tijdperk van een voorspelbare wereld is voorbij. Decennialang leefde West-Europa met de geruststellende aanname dat globalisering, multilaterale samenwerking en sterke trans-Atlantische banden zich vanzelf verder zouden ontwikkelen. Maar dat paradigma verschuift snel. We kunnen niet langer blind vertrouwen op internationale rechtsorde of vanzelfsprekende samenwerking tussen landen.
In een gefragmenteerde wereld, waarin handel complexer wordt en technologie zich ontwikkelt volgens concurrerende mondiale standaarden, moet Europa kunnen bouwen op eigen technologie. Hooijer waarschuwde dat Europa actief zijn eigen autonome systemen moet ontwikkelen om “een stoel aan tafel” te behouden. Zonder die technologische soevereiniteit dreigt Europa volgens haar “op het menu te belanden”, gereduceerd tot een “mooie speeltuin met oude gebouwen” waar de rest van de wereld op bezoek komt.
Lessen uit Oekraïne en de ‘oorlogseconomie’
De urgentie van die boodschap is pijnlijk versneld door de oorlog in Oekraïne. Volgens Hooijer heeft dit conflict met volle kracht een einde gemaakt aan de westeuropese illusie dat defensie een overblijfsel uit het verleden was, overbodig geworden door handel en globalisering.
Tegelijkertijd legt de oorlog de realiteit van een ‘oorlogseconomie’ bloot. Hooijer deelde een confronterend inzicht uit haar tijd in de defensiesector: het neerhalen van een relatief goedkope Shahed-drone met een extreem duur F-35-gevechtsvliegtuig is economisch onhoudbaar. Het toont aan dat pure hightech-superioriteit niet voldoende is om te winnen; een slimme combinatie van hightech en lowtech oplossingen is essentieel.
Daarnaast maakt Oekraïne duidelijk dat innovatietrajecten drastisch moeten versnellen. Wanneer een soldaat aan het front om hulp vraagt, is er behoefte aan een oplossing die vandaag werkt. In moderne conflicten is “morgen te laat”, en wordt de bekende uitdrukking ‘van lab naar leven’ ineens een kwestie van het voorkomen van een veel slechter scenario.
Het Nederlandse ingrediënt
Ondanks de stevige geopolitieke waarschuwingen was Hooijers boodschap uiteindelijk hoopvol. De weg vooruit draait niet alleen om méér produceren, maar vooral om slimmer te opereren.
Nederland heeft daarin een unieke positie, zegt ze. Hoewel het land niet per se uitblinkt in massaproductie van kleine technische componenten, bouwt het wel de uiterst complexe systemen en machines die wereldwijd nodig zijn om die componenten te maken. Door deze hightech-expertise in te zetten voor de ontwikkeling van autonome systemen, kunnen Nederland en Europa hun geopolitieke autonomie versterken.
En misschien nog belangrijker: diezelfde autonome technologieën kunnen ook worden ingezet voor het aanpakken van grote maatschappelijke uitdagingen, van personeelstekorten in de zorg tot de CO₂-transitie en klimaatverandering.
